Join THE TEAM.

Wij hebben direct plaats voor een gevorderde stagiaire, jurist of Juridisch Secretaresse!

Zie de vacature

Datum ondertekening vaststellingsovereenkomst is bepalend voor de ingangsdatum van de bedenktermijn ex artikel 7:670b lid 2 BW.

In een zaak voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, diende de vraag te worden beantwoord, of een werknemer tijdig de ontbinding van de vaststellingsovereenkomst had ingeroepen.

Casus
Werknemer is sinds 4 oktober 1999 in dienst bij werkgever. Eind augustus 2015 heeft werkgever het vertrouwen in werknemer opgezegd en is werknemer geschorst. Vervolgens zijn partijen in gesprek gegaan over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

De gemachtigden van beide partijen hebben per e-mail contact gehad over de inhoud van de vaststellingsovereenkomst. Op 21 september 2015 heeft de gemachtigde van werkgever per e-mail aan de gemachtigde van werknemer laten weten dat de vaststellingsovereenkomst akkoord is.
Vervolgens heeft werknemer de definitieve vaststellingsovereenkomst op 22 september 2015 per post ontvangen en heeft werknemer de vaststellingsovereenkomst gedateerd op 28 september 2015 en ondertekend.

Op 9 oktober 2015 heeft de gemachtigde van werknemer, per brief, de ontbinding van de vaststellingsovereenkomst ingeroepen. Werkgever accepteert de ingeroepen ontbinding niet en stelt dat werknemer het bedenkrecht te laat heeft ingeroepen, nu de bedenktermijn van veertien dagen is ingegaan op 21 september 2015 (datum overeenstemming).
Werknemer stelt zich daarentegen op het standpunt dat de bedenktermijn is gaan lopen vanaf 28 september 2015 (datum ondertekening vaststellingsovereenkomst) en hij het bedenkrecht dus tijdig heeft ingeroepen.

Vordering
Nu werkgever, werknemer niet toelaat tot zijn werk en zich op het standpunt stelt dat de vaststellingsovereenkomst niet meer ontbonden kan worden en de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2016 eindigt, vordert werknemer in kort geding, doorbetaling van zijn salaris en toegang tot zijn werk.

Oordeel van de voorzieningenrechter
Artikel 7:670b lid 2 BW bepaalt dat als een arbeidsovereenkomst door middel van een schriftelijke overeenkomst wordt beëindigd, de werknemer het recht heeft om deze overeenkomst zonder opgaaf van redenen, binnen veertien dagen na de datum waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, door een schriftelijke, aan de werkgever gerichte, verklaring te ontbinden.

De centrale vraag in dit geschil, is: Wanneer is de vaststellingsovereenkomst op grond van artikel 7:670b lid 2 BW tot stand gekomen, ofwel wanneer is aan het schriftelijkheidsvereiste voldaan.

De voorzieningenrechter oordeelt aan de hand van de wetsgeschiedenis bij artikel 7:670b lid 2 BW en het schriftelijkheidsvereiste bij een concurrentiebeding, dat het moment van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst bepalend is voor de ingang van de bedenktermijn van veertien dagen.

In de wetsgeschiedenis van artikel staat namelijk: “vanwege het grote belang van een werknemer bij een arbeidsrelatie is ervoor gekozen om werknemers die schriftelijk instemmen met een opzegging of die een beëindigingsovereenkomst ondertekenen een bedenktermijn van veertiendagen wordt gegund.”

En ten aanzien van het schriftelijheidsvereiste bij een concurrentiebeding, heeft de Hoge Raad op 28 maart 2008 (JIN 2008/288) geoordeeld dat aan het schriftelijheidsvereiste in ieder geval is voldaan, indien sprake is van ondertekening door de werknemer.

Gelet op vorenstaande en in het belang van de rechtszekerheid is de voorzieningenrechter van oordeel dat zowel de werkgever als de werknemer gebaat is bij een duidelijk aantoonbaar en concreet moment waarop de bedenktijd aanvangt en dat de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst – in casu op 28 september 2015- beslissend is voor de ingang van de bedenktijd.

Werknemer had dus tot 12 oktober 2015 de tijd om de ontbinding van de vaststellingsovereenkomst in te roepen. Met de brief van zijn gemachtigde van 9 oktober 2015 heeft hij dus tijdig gebruik gemaakt van zijn recht om de ontbinding van de vaststellingsovereenkomst in te roepen.

Conclusie
De bedenktermijn van veertien dagen uit artikel 7:760b lid 2 BW start dus op het moment van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst.

Om te voorkomen dat er tussen de datum van overeenstemming en de ondertekeningsdatum veel tijd zit, doet u er als werkgever verstandig aan om de ondertekeningsdatum reeds op te nemen in de overeenkomst of werknemer uit te nodigen voor een gesprek, waarin de overeenkomst wordt ondertekend.

Bron: Rechtbank Rotterdam, 10 februari 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:996.

Deel dit verhaal:
TEAM Advocaten

Geschreven door:

TEAM Advocaten
Zoeken:
BETROUWBAAR & BETAALBAAR
Snelle scan, second opinion, beoordeling van uw zaak?
Neem vrijblijvend contact met ons op