Join THE TEAM.

Wij hebben direct plaats voor een gevorderde stagiaire, jurist of Juridisch Secretaresse!

Zie de vacature

Schorsing – vordering in kort geding tot wedertewerkstelling

Vordering in kort geding strekkende tot wedertewerkstelling. Een docent wordt voor onbepaalde tijd geschorst op het moment dat het lesseizoen net is geëindigd.

De kantonrechter overweegt  in deze zaak – samengevat –  als volgt.

de in acht te nemen nodige zorgvuldigheid

Vooropgesteld wordt dat een schorsing door de Werkgever een zware maatregel is, die tot gevolg kan hebben dat de werknemer in eer en goede naam wordt aangetast of anderszins schade lijdt. Van belang is daarom dat de Werkgever in het kader van goed Werkgeverschap de nodige zorgvuldigheid in acht neemt jegens de werknemer en alleen tot schorsing overgaat als daarvoor een deugdelijke grond bestaat.

de in deze zaak voor schorsing opgegeven redenen

Werkgever heeft aan de schorsing ten grondslag gelegd – zoals zij ter zitting nader heeft toegelicht en zoals is uiteengezet in de brief van haar gemachtigde aan de gemachtigde van Werknemer gedateerd 20 juni 2011 – (1) dat Werknemer zich bij herhaling laatdunkend en kleinerend heeft uitgelaten over de directieleden alsook over andere collega’s, (2) dat zijn gedrag tegenover de studenten in de klas ontoelaatbaar is omdat hij ongepaste uitlatingen heeft gedaan over de vrouwelijke partner van een collega alsook over vrouwelijke studenten uit andere klassen en (3) dat hij op 27 mei 2011 eigenhandig en in strijd met de geldende regels op verzoek van een studente het cijfer van een test heeft gewijzigd.

Werknemer heeft voornoemde beschuldigingen gemotiveerd weersproken.

de feiten

De kantonrechter overweegt dat al op 14 februari 2011 een eerste gesprek heeft plaatsgevonden tussen de directeur van Werkgever en Werknemer over de klachten die de directeur van Werkgever ter ore waren gekomen over het gedrag van Werknemer. In mei 2011 hebben nog twee gesprekken gevolgd. Werkgever  heeft Werknemer vervolgens te kennen gegeven het dienstverband te willen beëindigen. Werknemer heeft daarmee niet ingestemd. In de periode februari tot en met medio juni 2011 heeft Werknemer zijn gebruikelijke werkzaamheden als docent verricht. De tot dan toe bij Werkgever bekende incidenten, waren kennelijk voor haar geen aanleiding om tot schorsing over te gaan. Op 17 juni 2011 heeft zij Werknemer geschorst. Ter zitting heeft Werkgever  toegelicht dat de directe aanleiding voor de schorsing was dat zij geruchten hoorde van docenten dat Werknemer weg zou moeten omdat hij teveel zou verdienen.

de noodzaak voor de schorsing onvoldoende aannemelijk gemaakt

Werkgever  heeft gelet op voornoemde feiten en omstandigheden de noodzaak voor de schorsing van Werknemer op 17 juni 2011 onvoldoende aannemelijk gemaakt. Na de gesprekken eind mei 2011 hebben zich immers geen nieuwe incidenten van enige betekenis voorgedaan die aan Werknemer verweten kunnen worden.

geruchten kunnen een schorsing niet rechtvaardigen

Geruchten die de ronde doen in de school, nog daargelaten of voldoende aannemelijk is dat deze door Werknemer de wereld in zijn geholpen, kunnen een schorsing niet rechtvaardigen.

met schorsing was geen redelijk doel gediend

Dit geldt temeer nu het lesseizoen al was geëindigd en de schorsing daarom geen redelijk doel meer kon dienen, anders dan Werknemer te beletten bij de diploma-uitreiking aanwezig te zijn. Voor dat doel is een schorsing voor onbepaalde tijd echter een veel te zware maatregel.

werkgever heeft niet als goed werkgever gehandeld

Voorts geldt dat Werkgever  een verwijt moet worden gemaakt van het feit dat zij na de schorsing op 17 juni 2011 – terwijl zij er reeds lang mee bekend was dat Werknemer niet wilde instemmen met een beëindiging van het dienstverband – pas op 11 augustus 2011 een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft ingediend. Ter zitting heeft zij uitgelegd dat de reden voor die late indiening is geweest dat gedurende de schoolvakantie toch niemand iets van de schorsing zou merken.

Dit standpunt acht de kantonrechter onbegrijpelijk. Werkgever heeft niet als goed Werkgever gehandeld door Werknemer vlak voor de schoolvakantie voor onbepaalde tijd te schorsen, met het vaste voornemen hem na de schoolvakantie niet te laten terugkeren op het werk en het dienstverband te beëindigen, en vervolgens pas op 11 augustus 2011 bij de kantonrechter een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te dienen, alleen omdat zij tijdens de schoolvakantie toch geen last van de schorsing heeft.

Met die handelwijze gaat Werkgever  geheel voorbij aan de belangen van haar werknemer, die – naar zij heeft kunnen begrijpen en ook had behoren te begrijpen – van de schorsing met het daaraan verbonden aangekondigde ontslag wèl te lijden heeft, ook gedurende de schoolvakantie.

onwerkbare situatie ?

Werknemer stelt dat hij een groot belang heeft bij zijn terugkeer aan het begin van het nieuwe schoolseizoen, dat aanvangt op 29 augustus 2011, teneinde verdere schade verbonden aan de schorsing te voorkómen. Hij benadrukt dat hij graag lesgeeft en dat hij het goed met zijn collega’s en met de studenten kan vinden.

Werkgever  heeft daartegenover aangevoerd dat een toewijzing van de vordering zal leiden tot een onwerkbare situatie, nu het vertrouwen tussen partijen onherstelbaar is beschadigd. Volgens Werkgever  is aannemelijk dat de kantonrechter die over het ontbindingsverzoek oordeelt de arbeidsovereenkomst op die grond zal ontbinden. Werkgever  benadrukt dat de terugkeer van Werknemer grote onrust in de school zal veroorzaken.

De kantonrechter overweegt dat Werkgever  de eisen van goed Werkgeverschap in die mate heeft geschonden, dat de mogelijke uitkomst van de ontbindingsprocedure niet aan een toewijzing van de gevorderde voorziening in de weg kan staan. Werkgever  heeft voldoende gelegenheid gehad om het geschil met Werknemer vóór de start van het nieuwe schooljaar tot een goed einde te brengen, ofwel in onderling overleg ofwel door tijdig bij de kantonrechter een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te dienen.

Daarnaast is onvoldoende aannemelijk geworden dat bij zijn terugkeer grote onrust zal ontstaan onder de docenten en studenten, nu de door Werkgever  gestelde vertrouwensbreuk met name ziet op de relatie tussen de directie van Werkgever  en Werknemer. Het ligt overigens mede op de weg van Werkgever  om ervoor te zorgen dat Werknemer zijn werkzaamheden na de schoolvakantie kan hervatten zonder dat daardoor onrust ontstaat onder collega’s en studenten. Nu zij zelf stelt dat binnen de school niemand iets van de schorsing heeft gemerkt wegens de zomervakantie, moet dat voor haar geen onmogelijke opgave zijn

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen moet het belang van Werknemer bij een opheffing van de schorsing zwaarder wegen dan het belang van Werkgever  bij handhaving daarvan.

De gevorderde voorziening zal daarom worden verleend als hierna aan te geven en met dien verstande, dat de dwangsom zal worden bepaald op € 500,– per dag, met een maximum van € 20.000,–.  Werkgever  wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

contact met arbeidsrecht advocaten:

Hebt u met betrekking tot schorsing of non-actiefstelling vragen of behoefte aan direct advies of rechtsbijstand, kunt u altijd direct en kosteloos contact opnemen met ons advocatenkantoor. Dit gaat snel en u krijgt direct een van onze arbeidsrecht en ontslag advocaten aan de telefoon. Bel ons nu op 030 252 35 20. Daarvoor brengen wij u vanzelfsprekend geen kosten in rekening. Een eerste telefonisch advies is altijd kosteloos.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
sector handel en kanton
kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 763297 UV EXPL 11-280 aw/4074

kort geding vonnis d.d. 19 augustus 2011

inzake

Werknemer,
wonende te [woonplaats],
verder ook te noemen Werknemer,
eisende partij,
gemachtigde: mr. X,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WERKGEVER B.V.,
gevestigd te
verder ook te noemen WERKGEVER,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. Y.

1.  Het verloop van de procedure

Werknemer heeft WERKGEVER in kort geding doen dagvaarden.
Partijen hebben ieder voorafgaand aan de zitting producties toegezonden.
De zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2011. Daarvan is aantekening gehouden. Partijen hebben ieder een pleitnota overgelegd. WERKGEVER heeft ter zitting productie 22 in het geding gebracht. Ook is door Werknemer een brief van de gemachtigde van WERKGEVER aan de gemachtigde van Werknemer gedateerd 20 juni 2011 in het geding gebracht, in welke brief de gronden voor de schorsing worden uiteengezet.
Vervolgens is uitspraak (nader) bepaald op heden.

2.  De feiten

2.1.  WERKGEVER biedt een particuliere managementopleiding aan voor de mobiliteitsbranche. Zij kent een twee- en een vierjarige dagopleiding op HBO- en MBO-niveau. WERKGEVER heeft thans ongeveer 950 studenten.

2.2.  Werknemer is met ingang van 13 september 2004 voor bepaalde tijd in dienst getreden van WERKGEVER in de functie van docent. De arbeidsovereenkomst is voortgezet voor onbepaalde tijd. Werknemer doceert de vakken verkooptechniek, marketing, bedrijfseconomie en monetaire economie.

2.3.  Op 14 februari 2011 heeft op initiatief van de heer de directeur van Werkgever, directeur van WERKGEVER, hierna te noemen de directeur van Werkgever, een gesprek plaatsgevonden tussen hem en Werknemer. Aanleiding voor dit gesprek waren diverse klachten van collega’s over het gedrag van Werknemer, die de directeur van Werkgever op 7 februari 2011 en de dagen daarna ter ore waren gekomen.

2.4.  In de maanden februari, maart en april 2011 heeft de directeur van Werkgever bij 4 directieleden en een twintigtal collega’s van Werknemer geïnformeerd naar hun ervaringen met (het gedrag van) Werknemer.

2.5.  Op 20 mei 2011 heeft de directeur van Werkgever de diverse klachten over Werknemer, samengevat in een vijftal punten, op papier gezet en voorgehouden aan Werknemer. Vervolgens zijn de klachten op 27 mei 2011 met Werknemer besproken. Bij deze gesprekken was naast de directeur van Werkgever en Werknemer ook aanwezig de heer [B], directielid.

2.6.  Eind mei 2011 heeft WERKGEVER Werknemer te kennen gegeven dat zij geen vertrouwen meer heeft in een voortzetting van het dienstverband.

2.7.  Op 17 juni 2011, na afloop van het lesseizoen, heeft WERKGEVER Werknemer mondeling geschorst. Bij brief aan de gemachtigde van Werknemer van 20 juni 2011 heeft WERKGEVER de gronden van die schorsing uiteengezet.

2.8.  WERKGEVER heeft op 11 augustus 2011 bij de kantonrechter te Utrecht een verzoekschrift ingediend strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen.

3.  De vordering en het verweer

3.1.  Werknemer vordert bij wege van voorlopige voorziening, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van WERKGEVER om – kort samengevat – de schorsing op te heffen en hem na de zomervakantie, dat is per 29 augustus 2011, in de gelegenheid te stellen zijn gebruikelijke werkzaamheden als docent te hervatten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 2.500,– per dag en met veroordeling van WERKGEVER in de proceskosten.

3.2.  Werknemer legt aan zijn vordering ten grondslag dat WERKGEVER hem op onjuiste, ongefundeerde en in ieder geval ongenoegzame gronden heeft geschorst. Zij handelt daardoor niet zoals het een goed Werkgever betaamt. Door de handelwijze van WERKGEVER wordt hij aangetast in eer en goede naam. Hij heeft daarom een spoedeisend belang bij de gevorderde wedertewerkstelling.

3.3.  WERKGEVER voert gemotiveerd verweer. Op de inhoud van dat verweer en op hetgeen Werknemer overigens heeft aangevoerd zal, voor zover van belang, in het hiernavolgende worden ingegaan.

4.  De beoordeling

4.1.  Een vordering strekkende tot wedertewerkstelling is naar haar aard spoedeisend. Werknemer is ontvankelijk in zijn vordering.

4.2.  In deze kort geding procedure moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek, beoordeeld worden of de vordering van   Werknemer in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopen daarop door toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is.

4.3.  Vooropgesteld wordt dat een schorsing door de Werkgever een zware maatregel is, die tot gevolg kan hebben dat de werknemer in eer en goede naam wordt aangetast of anderszins schade lijdt. Van belang is daarom dat de Werkgever in het kader van goed Werkgeverschap de nodige zorgvuldigheid in acht neemt jegens de werknemer en alleen tot schorsing overgaat als daarvoor een deugdelijke grond bestaat.

4.4.  WERKGEVER heeft aan de schorsing ten grondslag gelegd – zoals zij ter zitting nader heeft toegelicht en zoals is uiteengezet in de brief van haar gemachtigde aan de gemachtigde van Werknemer gedateerd 20 juni 2011 – (1) dat Werknemer zich bij herhaling laatdunkend en kleinerend heeft uitgelaten over de directieleden alsook over andere collega’s, (2) dat zijn gedrag tegenover de studenten in de klas ontoelaatbaar is omdat hij ongepaste uitlatingen heeft gedaan over de vrouwelijke partner van een collega alsook over vrouwelijke studenten uit andere klassen en (3) dat hij op 27 mei 2011 eigenhandig en in strijd met de geldende regels op verzoek van een studente het cijfer van een test heeft gewijzigd.
Werknemer heeft voornoemde beschuldigingen gemotiveerd weersproken.

4.5.  De kantonrechter overweegt dat al op 14 februari 2011 een eerste gesprek heeft plaatsgevonden tussen de directeur van Werkgever en Werknemer over de klachten die de directeur van Werkgever ter ore waren gekomen over het gedrag van Werknemer. In mei 2011 hebben nog twee gesprekken gevolgd. WERKGEVER heeft Werknemer vervolgens te kennen gegeven het dienstverband te willen beëindigen. Werknemer heeft daarmee niet ingestemd. In de periode februari tot en met medio juni 2011 heeft Werknemer zijn gebruikelijke werkzaamheden als docent verricht. De tot dan toe bij WERKGEVER bekende incidenten, zoals hiervoor onder 4.4 opgesomd, waren kennelijk voor haar geen aanleiding om tot schorsing over te gaan. Op 17 juni 2011 heeft zij Werknemer geschorst. Ter zitting heeft WERKGEVER toegelicht dat de directe aanleiding voor de schorsing was dat zij geruchten hoorde van docenten dat Werknemer weg zou moeten omdat hij teveel zou verdienen.

4.6.  WERKGEVER heeft gelet op voornoemde feiten en omstandigheden de noodzaak voor de schorsing van Werknemer op 17 juni 2011 onvoldoende aannemelijk gemaakt. Na de gesprekken eind mei 2011 hebben zich immers geen nieuwe incidenten van enige betekenis voorgedaan die aan Werknemer verweten kunnen worden. Geruchten die de ronde doen in de school, nog daargelaten of voldoende aannemelijk is dat deze door Werknemer de wereld in zijn geholpen, kunnen een schorsing niet rechtvaardigen. Dit geldt temeer nu het lesseizoen al was geëindigd en de schorsing daarom geen redelijk doel meer kon dienen, anders dan Werknemer te beletten bij de diploma-uitreiking aanwezig te zijn. Voor dat doel is een schorsing voor onbepaalde tijd echter een veel te zware maatregel.

4.7.  Voorts geldt dat WERKGEVER een verwijt moet worden gemaakt van het feit dat zij na de schorsing op 17 juni 2011 – terwijl zij er reeds lang mee bekend was dat Werknemer niet wilde instemmen met een beëindiging van het dienstverband – pas op 11 augustus 2011 een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft ingediend. Ter zitting heeft zij uitgelegd dat de reden voor die late indiening is geweest dat gedurende de schoolvakantie toch niemand iets van de schorsing zou merken. Dit standpunt acht de kantonrechter onbegrijpelijk. WERKGEVER heeft niet als goed Werkgever gehandeld door Werknemer vlak voor de schoolvakantie voor onbepaalde tijd te schorsen, met het vaste voornemen hem na de schoolvakantie niet te laten terugkeren op het werk en het dienstverband te beëindigen, en vervolgens pas op 11 augustus 2011 bij de kantonrechter een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te dienen, alleen omdat zij tijdens de schoolvakantie toch geen last van de schorsing heeft. Met die handelwijze gaat WERKGEVER geheel voorbij aan de belangen van haar werknemer, die – naar zij heeft kunnen begrijpen en ook had behoren te begrijpen – van de schorsing met het daaraan verbonden aangekondigde ontslag wèl te lijden heeft, ook gedurende de schoolvakantie.

4.8.  Werknemer stelt dat hij een groot belang heeft bij zijn terugkeer aan het begin van het nieuwe schoolseizoen, dat aanvangt op 29 augustus 2011, teneinde verdere schade verbonden aan de schorsing te voorkómen. Hij benadrukt dat hij graag lesgeeft en dat hij het goed met zijn collega’s en met de studenten kan vinden.
WERKGEVER heeft daartegenover aangevoerd dat een toewijzing van de vordering zal leiden tot een onwerkbare situatie, nu het vertrouwen tussen partijen onherstelbaar is beschadigd. Volgens WERKGEVER is aannemelijk dat de kantonrechter die over het ontbindingsverzoek oordeelt de arbeidsovereenkomst op die grond zal ontbinden. WERKGEVER benadrukt dat de terugkeer van Werknemer grote onrust in de school zal veroorzaken.

4.9.  De kantonrechter overweegt dat WERKGEVER de eisen van goed Werkgeverschap in die mate heeft geschonden, dat de mogelijke uitkomst van de ontbindingsprocedure niet aan een toewijzing van de gevorderde voorziening in de weg kan staan. WERKGEVER heeft voldoende gelegenheid gehad om het geschil met Werknemer vóór de start van het nieuwe schooljaar tot een goed einde te brengen, ofwel in onderling overleg ofwel door tijdig bij de kantonrechter een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te dienen. Daarnaast is onvoldoende aannemelijk geworden dat bij zijn terugkeer grote onrust zal ontstaan onder de docenten en studenten, nu de door WERKGEVER gestelde vertrouwensbreuk met name ziet op de relatie tussen de directie van WERKGEVER en Werknemer. Het ligt overigens mede op de weg van WERKGEVER om ervoor te zorgen dat Werknemer zijn werkzaamheden na de schoolvakantie kan hervatten zonder dat daardoor onrust ontstaat onder collega’s en studenten. Nu zij zelf stelt dat binnen de school niemand iets van de schorsing heeft gemerkt wegens de zomervakantie, moet dat voor haar geen onmogelijke opgave zijn.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen moet het belang van Werknemer bij een opheffing van de schorsing zwaarder wegen dan het belang van WERKGEVER bij handhaving daarvan.
De gevorderde voorziening zal daarom worden verleend als hierna aan te geven en met dien verstande, dat de dwangsom zal worden bepaald op € 500,– per dag, met een maximum van € 20.000,–.

4.10.  WERKGEVER wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van Werknemer begroot op:
€ 71,– vast recht;
€ 90,81 explootkosten;
€ 400,– salaris gemachtigde (2x het tarief van € 200,–).

5.  De beslissing

De kantonrechter:

geeft de volgende onmiddellijke voorziening:

veroordeelt WERKGEVER om Werknemer per 29 augustus 2011 in staat te stellen de werkzaamheden op de gebruikelijke wijze te hervatten, met alle faciliteiten en bevoegdheden die hij uit hoofde van de arbeidsovereenkomst mocht genieten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,– per (gedeelte van een) dag, met een maximum van € 20.000,– aan te verbeuren dwangsommen in totaal;

veroordeelt WERKGEVER tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Werknemer, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 561,81 waarin begrepen € 400,– aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het anders of meer gevorderde. (bron:www.rechtspraak.nl)

 

Deel dit verhaal:
TEAM Advocaten

Geschreven door:

TEAM Advocaten
Zoeken:
BETROUWBAAR & BETAALBAAR
Snelle scan, second opinion, beoordeling van uw zaak?
Neem vrijblijvend contact met ons op
Wij maken gebruik van cookies om de gebruiks­­vriendelijkheid van onze website te verbeteren. Daarnaast kunnen we je hierdoor gerichte content bieden op onze websites, via onze andere kanalen en andere media. We onthouden je keuze zodat je niet iedere keer dat je onze website bezoekt deze vraag te zien krijgt. Naast het accepteren van de cookies, kan je de cookies ook beheren via 'Cookie instellingen'.
Accepteer cookiesPrivacy statementCookie instellingen