Join THE TEAM.

We immediately have space for an advanced trainee, lawyer or legal secretary!

View vacancies

Concurrentiebeding en/of onrechtmatige concurrentie

Concurrentiebeding en/of onrechtmatige concurrentie. Deze zaak draait om een concurrentiebeding en onrechtmatige concurrentie. Eiser vordert onmiddellijke staking van concurrerende activiteiten door gedaagde, zijn voormalig werknemer,die na beëindiging van zijn dienstverband een eigen kapsalon is gestart in de directe nabijheid van voormalig werkgever. Nu er sprake is van een nietig concurrentiebeding is gedaagde vrij te concurreren met zijn voormalig werkgever. In casu is geen sprake van onrechtmatige concurrentie. Vorderingen afgewezenontbindingsverzoek gebaseerd op regelmatig ziekteverzuim. Het verzoek wordt afgewezen.  De kantonrechter zoekt daartoe aansluiting bij vereisten UWV-procedure.
In casu geen sprake van regelmatig ziekteverzuim.

De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.

Allereerst ligt de bevoegdheid van de kantonrechter in deze ter beoordeling voor, nu de vordering gebaseerd wordt op het onrechtmatig handelen van gedaagde. Partijen menen dat hun geschil uiteindelijk uit de arbeidsverhouding voortspruit en verklaren de kantonrechter expliciet bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen.

Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter is de vordering van eiser strekkende tot staking van de activiteiten van gedaagde voldoende spoedeisend voor behandeling in kort geding.

De kantonrechter oordeelt dat het door partijen overeengekomen concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd krachtens de toepasselijke CAO nietig is. Deze conclusie hadden partijen ook al getrokken. Er is dus in casu geen sprake van een concurrentiebeding.

Uitgangspunt is dat het werknemers zonder concurrentiebeding vrij staat zich na afloop van de arbeidsrelatie in vrije concurrentie met de ex-werkgever te begeven. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan dergelijke concurrentie onrechtmatig zijn.

Van onrechtmatige concurrentie is sprake indien is voldaan aan de vereisten: 1) het stelselmatig en substantieel afbreken van 2) het duurzame debiet van de voormalig werkgever, dat de werknemer in het kader van de arbeidsovereenkomst mee heeft helpen opbouwen 3) met de hulpmiddelen die de werknemer daartoe vertrouwelijk van zijn voormalige werkgever ter beschikking kreeg.

De omstandigheid dat er klanten over zijn gestapt naar gedaagde, is voorstelbaar dat dit invloed heeft gehad op de omzet van eiser. Dat is echter onvoldoende voor de conclusie dat er sprake is van onrechtmatige concurrentie. Dat zou eerst het geval zijn indien gedaagde actief (substantieel en stelselmatig) klanten van eiser zou hebben geworven. Hiervan is echter niet gebleken. Het enkele voorbeeld door eiser aangevoerd dat een klant tijdens het dienstverband van gedaagde bij gedaagde informeerde hoe het nu hierna verder moest, kan niet gezien worden als actief werven van klanten.

De kantonrechter acht niet aangetoond dat gedaagde op oneerlijke wijze klanten actief werft of geworven heeft, dat klanten vrijwillig overstappen valt onder het recht op concurrentie.
De afstand tussen beider kapsalons kan in onderhavige zaak geen doorslaggevende betekenis worden toegekend nu er in de directe omgeving sprake is van een veelheid aan kapsalons waar men uit kan kiezen. Het is aan klanten zelf om te kiezen waar ze binnen stappen om hun haar te laten kappen. Dat klanten kiezen om door gedaagde (of door eiser) gekapt te worden is hun vrije keuze. Het door eiser overgelegde overzicht waaruit de door eiser gestelde omzetdaling zou moeten blijken is allereerst niet volledig. Het is een overzicht over de jaren 2008, 2009 en 2010 over de maanden januari tot en met september. Een overzicht van de overige maanden ontbreekt, zodat geen volledig beeld gegeven wordt. Bovendien is er geen sprake van een substantiële teruggang. Dat eisers omzet gedaald is door toedoen van gedaagde is hiermee op geen enkele wijze aangetoond of aannemelijk geworden.

Nu hier op geen enkele wijze is gebleken van onrechtmatig handelen van gedaagde, kan het beroep hierop niet slagen. Ook het overige door eiser aangevoerde kan niet tot een andere conclusie leiden. De op onrechtmatig handelen gegronde primaire en subsidiaire vorderingen van eiser dienen dan ook te worden afgewezen.

Mocht u omtrent een concurrentiebeding en/of onrechtmatige concurrentie vragen hebben dan wel behoefte hebben aan direct advies of bijstand, kunt u altijd kosteloos contact opnemen met ons advocatenkantoor. Dit gaat snel en u krijgt direct een van onze arbeidsrecht advocaten aan de telefoon. Wij zijn specialist op dit terrein. Bel ons nu op 030 252 35 20. Een eerste telefonisch advies is altijd kosteloos.

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Kanton
Locatie Sittard-Geleen

Vonnis d.d. 25 oktober 2010
Rolno/ zaakno: 390385 CV EXPL 10-3582

De kantonrechter, rechtdoende inzake

[eiser],
wonende te [adres], gevestigd en zaakdoende te [adres],
eiser,
gemachtigde: mr.X,

tegen:

[gedaagde],
wonende te [adres], zaakdoende te [adres],
gedaagde,
gemachtigde: mr. Y. advocaat

VERLOOP VAN DE PROCEDURE:
Op 27 augustus 2010 heeft eiser de kantonrechter verzocht om gedaagde te mogen dagvaarden in kort geding ex artikel 254 Rv. In de nevenvestigingsplaats van de rechtbank Maastricht te Sittard-Geleen aan de Parklaan 17.

De datum en het tijdstip van de mondelinge behandeling zijn door de kantonrechter vervolgens bepaald op maandag 11 oktober 2010 om 13.30 uur.

Op 23 september 2010 is de originele dagvaarding ontvangen, met 13 bijlagen.

Op 8 oktober 2010 heeft de gemachtigde van eiser nog een aantal bijlagen gezonden.

De zaak is op datum en tijdstip voormeld mondeling behandeld.

Op de op 11 oktober 2010 gehouden mondelinge behandeling is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Beide gemachtigden hebben hun standpunten nader toegelicht en ter terechtzitting dienaangaande pleitaantekeningen overgelegd.

Hierna is de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.
DE VORDERING:
Eiser vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad gedaagde bij wege van voorlopige voorzieningen te veroordelen om:
Primair:
I.  Zijn zakelijke activiteiten en/of werkzaamheden aan de [adres], gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan het bedrijf van eiser, met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden, op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 500,– voor iedere dag dat hieraan niet voldaan wordt.
II.  Zich gedurende een jaar na betekening van het in deze te wijzen vonnis te onthouden van het ontplooien van zakelijke activiteiten en/of verrichten van werkzaamheden tegen vergoeding of om niet, gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan het bedrijf van eiser binnen een straal van 10 kilometer, althans een door U.E.A. in goede justitie te bepalen afstand, van de vestigingsplaats van eiser, op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 500,– voor iedere dag dat hieraan niet voldaan wordt.
III.  Aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 9.000,–, althans een door u in U.E.A. Voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, als voorschot op de door eiser geleden en nog te lijden schade, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dezer dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.
IV.  Aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 500,-althans een door U.E.A. Voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, ter zake van de door eiser gemaakte buitengerechtelijke kosten, zulks binnen 2 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis.
Met veroordeling van gedaagde in de kosten van het onderhavige geding, waaronder begrepen het salaris van gemachtigde van eiser.
Subsidiair:
I.  Onthouden van het tegen vergoeding of om niet bedienen van en/of verrichten van werkzaamheden voor de thans in het klantenbestand van eiser voorkomende vaste klanten.
II.  Aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 9.000,–, althans een door u in U.E.A. Voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, als voorschot op de door eiser geleden en nog te lijden schade, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dezer dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.
III.  Aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 500,-, althans een door U.E.A. Voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, ter zake van de door eiser gemaakte buitengerechtelijke kosten, zulks binnen 2 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis.
Met veroordeling van gedaagde in de kosten van het onderhavige geding, waaronder begrepen het salaris van gemachtigde van eiser.

Eiser legt aan zijn vordering het navolgende – zakelijk weergegeven – ten grondslag.
Gedaagde is van [datum sub 1] tot [datum sub 2] bij eiser in dienst geweest aanvankelijk als kapper en de laatste jaren als bedrijfsleider. Partijen hebben aanvankelijk een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 1 jaar gesloten. In de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd was een non-concurrentiebeding opgenomen, het welk op grond van artikel 2.2 sub b van de CAO Kappersbedrijf nietig is. Nadien is geen nieuwe arbeidsovereenkomst ondertekend, maar is de overeenkomst voor bepaalde tijd stilzwijgend verlengd tot een overeenkomst voor onbepaalde tijd.
Gedaagde is vanaf [datum sub 2] op hemelsbreed [afstand sub 1], loopafstand [afstand sub 2] een eigen kapsalon begonnen aan bovengenoemd adres. Eiser stelt dat gedaagde hiermee in strijd handelt met het concurrentiebeding, althans dat het oneerlijk en onrechtmatig is dat gedaagde op zo’n korte afstand concurrerende activiteiten is gestart. Eiser lijdt hierdoor voor € 3.000,– netto per maand schade. Op grond van bedrijfseconomische noodzaak heeft eiser inmiddels een ontslagvergunning moeten aanvragen voor één van zijn werknemers.

Eiser heeft gedaagde hier bij schrijven van [datum sub 3] en vervolgens [datum sub 4] reeds op gewezen en gesommeerd onmiddellijk de zaak te sluiten. Tevens heeft eiser schadevergoeding en een boete gevorderd.
Gedaagde heeft de nietigheid van het concurrentiebeding ingeroepen en gesteld dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen.

Eiser stelt spoedeisend belang bij zijn vorderingen te hebben nu hij sinds de opening van de kapsalon van gedaagde geconfronteerd wordt met sterk teruglopende omzet en winst. Sindsdien zijn er vele klanten bij eiser vertrokken.

HET VERWEER:
Gedaagde heeft ter mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen de door eiser gevorderde voorlopige voorziening en heeft daartoe het volgende –zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang- aangevoerd.

Gedaagde stelt dat hij eind [jaartal] aan eiser te kennen heeft gegeven dat hij een eigen kapsalon wenste te beginnen, dit ondermeer doordat hij zich niet langer kon verenigen met de wijze waarop eiser zijn onderneming dreef.
Gedaagde heeft herhaaldelijk –vergeefs- verzocht om inzage in de tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst. Eerst op [datum sub 4], ruim nadat gedaagde zijn eigen kapsalon geopend had, heeft gedaagde de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ontvangen. Het hierin opgenomen concurrentiebeding is op grond van artikel 2.2 sub b van de toepasselijke CAO nietig, nu in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd geen concurrentiebeding opgenomen mag worden. Nu dit toch is gebeurd is dit beding nietig. Deze nietigheid blijft bestaan als de arbeidsovereenkomst -zoals hier is gebeurd- stilzwijgend wordt verlengd en overgaat in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Eiser kan derhalve geen beroep doen op het concurrentiebeding.

Gedaagde betwist voorts dat hij onrechtmatig handelt. Uit de door eiser overgelegde cijfers blijkt niet dat door het vestigen van gedaagdes kapsalon de omzet zou zijn teruggelopen. De omzet loopt al veel langer terug ook toen gedaagde nog in dienst was bij eiser. De teruglopende omzet was juist voor hem een reden, naast de hiervoor genoemde reden, om voor zichzelf te beginnen.
Het door eiser aangevoerde verzoek om ontslagvergunning betreft een werkneemster die na het vertrek van gedaagde in dienst is getreden, dit dient derhalve voor rekening en risico van eiser te blijven.
Gedaagde stelt dat het hem vrij staat met eiser in concurrentie te treden, binnen een straal van 1,5 kilometer zijn vele kapsalons gevestigd. Gedaagde stelt dat hij niet actief werft onder klanten van eiser, maar dat als zij bij hem in de kapsalon komen hij ze niet de deur wijst.
Gedaagde stelt voorts dat eiser nu via de weg van onrechtmatigheid –welke hij overigens betwist- toch probeert het concurrentiebeding in te roepen.
Gedaagde stelt dat er geen sprake is van spoedeisendheid, maar dat eiser op deze wijze tracht de gevolgen van zijn falende management en/of bedrijfsvoering op gedaagde af te wentelen.

DE BEOORDELING:
Allereerst ligt de bevoegdheid van de kantonrechter in deze ter beoordeling voor, nu de vordering gebaseerd wordt op het onrechtmatig handelen van gedaagde. Partijen menen dat hun geschil uiteindelijk uit de arbeidsverhouding voortspruit en verklaren de kantonrechter expliciet bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen.

Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter is de vordering van eiser strekkende tot staking van de activiteiten van gedaagde voldoende spoedeisend voor behandeling in kort geding.

De kantonrechter oordeelt dat het door partijen overeengekomen concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd krachtens de toepasselijke CAO nietig is. Deze conclusie hadden partijen ook al getrokken. Er is dus in casu geen sprake van een concurrentiebeding.
Uitgangspunt is dat het werknemers zonder concurrentiebeding vrij staat zich na afloop van de arbeidsrelatie in vrije concurrentie met de ex-werkgever te begeven. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan dergelijke concurrentie onrechtmatig zijn.
Van onrechtmatige concurrentie is sprake indien is voldaan aan de vereisten: 1) het stelselmatig en substantieel afbreken van 2) het duurzame debiet van de voormalig werkgever, dat de werknemer in het kader van de arbeidsovereenkomst mee heeft helpen opbouwen 3) met de hulpmiddelen die de werknemer daartoe vertrouwelijk van zijn voormalige werkgever ter beschikking kreeg.

De omstandigheid dat er klanten over zijn gestapt naar gedaagde, is voorstelbaar dat dit invloed heeft gehad op de omzet van eiser. Dat is echter onvoldoende voor de conclusie dat er sprake is van onrechtmatige concurrentie. Dat zou eerst het geval zijn indien gedaagde actief (substantieel en stelselmatig) klanten van eiser zou hebben geworven. Hiervan is echter niet gebleken. Het enkele voorbeeld door eiser aangevoerd dat een klant tijdens het dienstverband van gedaagde bij gedaagde informeerde hoe het nu hierna verder moest, kan niet gezien worden als actief werven van klanten.

De kantonrechter acht niet aangetoond dat gedaagde op oneerlijke wijze klanten actief werft of geworven heeft, dat klanten vrijwillig overstappen valt onder het recht op concurrentie.
De afstand tussen beider kapsalons kan in onderhavige zaak geen doorslaggevende betekenis worden toegekend nu er in de directe omgeving sprake is van een veelheid aan kapsalons waar men uit kan kiezen. Het is aan klanten zelf om te kiezen waar ze binnen stappen om hun haar te laten kappen. Dat klanten kiezen om door gedaagde (of door eiser) gekapt te worden is hun vrije keuze. Het door eiser overgelegde overzicht waaruit de door eiser gestelde omzetdaling zou moeten blijken is allereerst niet volledig. Het is een overzicht over de jaren 2008, 2009 en 2010 over de maanden januari tot en met september. Een overzicht van de overige maanden ontbreekt, zodat geen volledig beeld gegeven wordt. Bovendien is er geen sprake van een substantiële teruggang. Dat eisers omzet gedaald is door toedoen van gedaagde is hiermee op geen enkele wijze aangetoond of aannemelijk geworden.

Nu hier op geen enkele wijze is gebleken van onrechtmatig handelen van gedaagde, kan het beroep hierop niet slagen. Ook het overige door eiser aangevoerde kan niet tot een andere conclusie leiden. De op onrechtmatig handelen gegronde primaire en subsidiaire vorderingen van eiser dienen dan ook te worden afgewezen.

Nu de vorderingen worden afgewezen zal eiser als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure als hierna bepaald.

DE BESLISSING:

Wijst de vorderingen af

Veroordeelt eiser in de proceskosten, deze tot aan de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van gedaagde begroot op € 400,–,

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
(bron: www.rechtspraak.nl)

Share this story:
TEAM Advocaten

Geschreven door:

TEAM Advocaten
Zoeken:
RELIABLE & AFFORDABLE
Quick scan, second opinion, assessment of your case?
Please contact us, free of obligations
Wij maken gebruik van cookies om de gebruiks­­vriendelijkheid van onze website te verbeteren. Daarnaast kunnen we je hierdoor gerichte content bieden op onze websites, via onze andere kanalen en andere media. We onthouden je keuze zodat je niet iedere keer dat je onze website bezoekt deze vraag te zien krijgt. Naast het accepteren van de cookies, kan je de cookies ook beheren via 'Cookie instellingen'.
Accepteer cookiesPrivacy statementCookie instellingen