Join THE TEAM.

We immediately have space for an advanced trainee, lawyer or legal secretary!

View vacancies

Opzegging door een werknemer is geen rechtsgeldige opzegging in de zin van artikel 7:667 lid 4 BW (Ragetlieregel)

De Hoge Raad heeft onlangs geoordeeld dat opzegging door een werknemer geen ‘rechtsgeldige opzegging’ is, in de zin van artikel 7:677 lid 4 BW.

Artikel 7:667 lid 4 BW (Ragetlieregel)
Indien een voor onbepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst, die anders dan door rechtsgeldige opzegging of door ontbinding door de rechter is geëindigd, éénmaal of meermalen is voortgezet door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, is in afwijking van lid 1 voor de beëindiging van die laatste arbeidsovereenkomst voorafgaande opzegging nodig. De termijn van opzegging wordt berekend vanaf het tijdstip van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

CasusEen werknemer had, na een dienstverband van bijna 25 jaar, zijn arbeidsovereenkomst opgezegd (met wederzijdsgoedvinden) en was in dienst getreden bij een andere werkgever. Echter binnen een maand na aanvang van zijn nieuwe dienstverband is de werknemer, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (een jaar), teruggekeerd naar zijn oude werkgever. Vervolgens is deze arbeidsovereenkomst eenmaal met één jaar verlengt en heeft de werkgever voor het einde van dat jaar aan de werknemer medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd en dat deze van rechtswege eindigt.

De werknemer stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 7:667 lid 4 BW en het feit dat de arbeidsovereenkomst anders dan door rechtsgeldige opzegging of door ontbinding door de rechter is geëindigd, zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet van rechtswege eindigt, maar voorafgaande opzegging vereist is.

Eerste aanleg en hoger beroep
De kantonrechter en het hof hebben de vordering van werknemer afgewezen met de overweging dat onder ‘rechtsgeldige opzegging’ ook moet worden verstaan opzegging door de werknemer.

Hoge Raad
De Hoge Raad stelt de werknemer in het gelijk. Voor de Hoge Raad staat bij de beantwoording van de vraag de ontslagbescherming centraal.

Overweging
Artikel 7:667 lid 4 BW, dat is ingevoerd als onderdeel van de Wet Flexibiliteit en zekerheid, betreft een codificatie van de Ragetlie-regel. Deze regel hield in dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die een voortzetting vormt van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, door opzegging dient te worden beëindigd om de werknemer niet de met het vereiste van opzegging gepaard gaande ontslagbescherming te onthouden.

Volgens de totstandkomingsgeschiedenis van dit artikel heeft de wetgever, in verband met de flexibiliteit die de nieuwe wettelijke regeling beoogde te brengen, de Ragetlie-regel willen beperken door als voorwaarde voor toepasselijkheid van die regel de eis te stellen dat de voorafgaande arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd niet is geëindigd door rechtsgeldige opzegging of ontbinding door de rechter.

De kern is dat een werknemer ontslagbescherming heeft gehad. Namelijk bij opzegging door het UWV en bij ontbinding door de kantonrechter. Als deze ontslagbescherming er niet is geweest, dan is er voorafgaande opzegging nodig.

Volgens de Hoge Raag strookt het met deze ratio om onder “rechtsgeldige opzegging” in die bepaling niet te verstaan een opzegging door de werknemer. Bij die opzegging vindt immers geen toetsing van het ontslag plaats (geen ontslagbescherming).

Gezien de bescherming van de werknemer die door de wetgever met het artikellid is beoogd, bestaat ook geen goede grond om onderscheid te maken tussen de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op grond van wederzijds goedvinden en die door opzegging door de werknemer. In beide gevallen berust de beëindiging immers (mede) op een daarop gerichte verklaring of gedraging van de werknemer, die meebrengt dat deze (bij die beëindiging) de ontslagbescherming mist waarop hij bij andere beëindigingswijzen aanspraak kan maken, terwijl het verschil tussen beide beëindigingswijzen feitelijk bovendien zeer gering kan zijn.

Bron: Parket bij de Hoge Raad 27 september 2013, ECLI:NL:PHR:2013:913

Share this story:
TEAM Advocaten

Geschreven door:

TEAM Advocaten
Zoeken:
RELIABLE & AFFORDABLE
Quick scan, second opinion, assessment of your case?
Please contact us, free of obligations
Wij maken gebruik van cookies om de gebruiks­­vriendelijkheid van onze website te verbeteren. Daarnaast kunnen we je hierdoor gerichte content bieden op onze websites, via onze andere kanalen en andere media. We onthouden je keuze zodat je niet iedere keer dat je onze website bezoekt deze vraag te zien krijgt. Naast het accepteren van de cookies, kan je de cookies ook beheren via 'Cookie instellingen'.
Accepteer cookiesPrivacy statementCookie instellingen