Bestuurdersaansprakelijkheid en schending van statutaire bepalingen
Bestuurdersaansprakelijkheid en schending van statutaire bepalingen
HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011
De feiten
Een papierfabriek hield via haar deelneming circa 8% van de aandelen in Xeikon N.V., een Belgische vennootschap die een digitale kleurenpers ontwikkelde. De enig statutair directeur van de papierfabriek sloot namens de vennootschap een optieovereenkomst met ISTD Corporation, waarbij ISTD het recht kreeg alle 33.750 aandelen Xeikon te kopen voor slechts Bfr. 1.300 per aandeel. ISTD oefende die optie uit en verkocht de aandelen kort daarna door voor prijzen van Bfr. 5.750 respectievelijk Bfr. 6.800 per aandeel, een veelvoud van de optieprijs. De directeur had voor deze transactie geen goedkeuring gevraagd aan de raad van commissarissen, terwijl de statuten dat bij het ingrijpend verminderen van een deelneming wel vereisten.
De rechtsvraag
De centrale vraag was of het enkele feit dat een bestuurder in strijd handelt met een statutaire bepaling, hier: het ontbreken van goedkeuring van de raad van commissarissen, zonder meer een ernstig verwijt oplevert in de zin van artikel 2:9 BW en daarmee leidt tot bestuurdersaansprakelijkheid. Of moeten ook de overige omstandigheden van het geval worden meegewogen?
De rechtsregel
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof te kort door de bocht was gegaan. De Hoge Raad formuleerde de volgende regels. Ten eerste is voor aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW vereist dat de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt, te beoordelen aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Ten tweede vormt handelen in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen een zwaarwegende omstandigheid die in beginsel aansprakelijkheid vestigt. Maar als de bestuurder feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het handelen in strijd met de statuten géén ernstig verwijt oplevert, dan moet de rechter die omstandigheden uitdrukkelijk in zijn oordeel betrekken.
In dit geval had de directeur aangevoerd dat bij de vennootschap een patroon bestond waarin vergelijkbare beslissingen werden genomen zonder de raad van commissarissen te raadplegen, dat de commissarissen geen belangstelling toonden voor de desinvestering, en dat hij ten tijde van de optieverlening niet wist dat derden bereid waren een veel hogere prijs te betalen. Het Hof had deze omstandigheden genegeerd en uitsluitend de statutaire schending als grond voor aansprakelijkheid genomen. Dat was onvoldoende, aldus de Hoge Raad, die het arrest vernietigde en de zaak verwees.
Dit arrest maakt duidelijk dat een statutaire schending weliswaar een sterke aanwijzing is voor een ernstig verwijt, maar dat de rechter nooit mag volstaan met die constatering alleen. De bestuurder moet de kans krijgen zich te verweren met de omstandigheden van het geval en de rechter moet daar gemotiveerd op ingaan.