Join THE TEAM.

Wij hebben direct plaats voor een gevorderde stagiaire of jurist!

Zie de vacature

Bestuurdersaansprakelijkheid – treffen van voorziening

Bestuurdersaansprakelijkheid

Eiseres heeft aan de vordering bestuurdersaansprakelijkheid ten grondslag gelegd. Zij heeft daartoe gesteld dat Schuldenaar B.V. aan Eiseres heeft medegedeeld dat zij financieel niet in staat is aan het vonnis te voldoen. Eiseres stelt zich op het standpunt dat Gedaagden. er als (feitelijk) bestuurders van Schuldenaar B.V. voor dienden te zorgen dat Schuldenaar B.V. ten tijde van het aangaan van de contractuele verplichtingen (en daarna) ten eerste over voldoende buffervermogen en ten tweede over een adequate verzekering beschikte, om eventuele tegenslagen met betrekking tot de overeengekomen levering van de machines te kunnen opvangen. Nu zij dit hebben nagelaten en desondanks in die wetenschap namens Schuldenaar B.V. de onderhavige verplichtingen zijn aangegaan, hebben zij een onaanvaardbaar risico genomen. Zij hebben ernstig onzorgvuldig gehandeld jegens Eiseres en zijn aansprakelijk voor de daardoor geleden schade. Daarbij komt dat zij geen voorziening voor de vordering van Eiseres in de balans van Schuldenaar B.V. hebben opgenomen. Zouden Gedaagden. willen volhouden dat Schuldenaar B.V. voldoende gekapitaliseerd was, dan moet worden vastgesteld dat er sprake is van betalingsonwil, nu Schuldenaar B.V. haar bedrijfsactiviteiten gewoon uitoefent maar Eiseres volledig onbetaald laat, aldus steeds Eiseres.

De rechtbank wijst de vordering af en overweegt daartoe – kort samengevat – als volgt.

Eiseres is, als onweersproken is gebleven, als schuldeiser geconfronteerd met het onbetaald en onverhaalbaar blijven van haar vordering op Schuldenaar B.V..

Criteria

Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan er grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld, dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of heeft toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.

In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld als hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Voor de onder (i) bedoelde gevallen geldt dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden.

In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.

Aansprakelijkheid feitelijk beleidsbepaling (niet statutair directeur / bestuurder)

Anders dan Gedaagden betogen, kan degene die feitelijk als bestuurder/beleidsbepaler heeft geacteerd binnen een onderneming onder omstandigheden wel degelijk uit hoofde van onrechtmatige daad persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schade als gevolg van de wanprestatie dan wel het onrechtmatig handelen van die onderneming. Anders dan in het geval van aansprakelijkheid van statutaire bestuurders, dient de grond van deze aansprakelijkheid te worden gezocht in de figuur van de directe doorbraak. De enkele constatering dat er sprake is van een vennootschappelijke beleidsbepaler, is onvoldoende om tot aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad te kunnen leiden. Daarvoor is nodig dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die tot het oordeel dienen te leiden dat de rechtspersoon en de feitelijk leidinggever met elkaar dienen te worden vereenzelvigd, zodat het beroep op de afzonderlijke identiteit van de rechtspersoon misbruik van recht kan opleveren.

Was vennootschap in staat haar activiteiten te financieren?

Een vennootschap dient behoorlijk te worden gefinancierd, in die zin dat er geen kennelijk onredelijk verband mag bestaan tussen de financiering en de activiteiten. De tot de normale bedrijfsuitoefening behorende risico’s moeten in beginsel door de onderneming opgevangen kunnen worden.

Of van een behoorlijke financiering sprake is, is vooral een vraag van bedrijfseconomische aard. Eiseres heeft haar stellingen in dit verband onderbouwd door te verwijzen naar de jaarcijfers van 2003, waaruit blijkt dat Schuldenaar B.V. in dat jaar beschikte over een negatief eigen vermogen (€ 97.839,00) en over een zeer gering bedrag aan liquide middelen (€ 457,00). Gedaagden erkennen dat de financiële positie niet overdadig was, doch voeren aan dat deze voldoende was om het bedrijf draaiende te houden, de credit€en te voldoen en de twee betrokken gezinnen van een marginaal inkomen te voorzien.

Dat ten tijde van het aangaan van de contractuele verplichtingen van een volstrekt insolvabele vennootschap sprake was, volgt onvoldoende uit de door Eiseres – summier – gestelde omstandigheden. De stelling dat de normale verplichtingen konden worden nagekomen, zoals door Gedaagden. gesteld, is niet weersproken en vindt ook bevestiging in het feit dat Schuldenaar B.V. tot op heden een actieve onderneming is. De enkele verwijzing naar de uit de jaarstukken gebleken vermogenspositie in 2003, vormt onvoldoende rechtvaardiging voor de stelling dat de vennootschap op dat moment niet in staat moest worden geacht haar activiteiten te financieren.

Wel staat als onweersproken vast dat reeds op dat moment duidelijk was dat Schuldenaar B.V. over onvoldoende middelen beschikte om de vordering zoals die uiteindelijk door deze rechtbank is toegewezen, te voldoen.

Kern van het geschil is de vraag of en in hoeverre Gedaagde 1 en Gedaagde 2 behoorden te voorzien dat het risico dat zij zouden wanpresteren en dat daaruit een vordering zoals hier aan de orde zou volgen zich zou realiseren, en voorts of – en op welke wijze – zij daarvoor een voorziening hadden behoren te treffen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden staande gehouden dat een onderneming voor elke transactie die zij aangaat een voorziening dient te treffen voor de kans dat uit die transactie een schadeclaim volgt. Een dergelijk risico is immers moeilijk op voorhand in te schatten en gegeven het aantal transacties dat dagelijks zonder problemen in het normale handelsverkeer plaatsvindt, moet worden aangenomen dat de kans daarop een geringe is.

Een andere opvatting zou in zijn algemeenheid bovendien leiden tot een belemmering van het handelsverkeer, aangezien veel kleine bedrijven niet in de gelegenheid zullen zijn een dergelijke voorziening te treffen met als gevolg dat zij de betreffende contracten niet kunnen sluiten.

Dat geldt temeer nu het hier een transactie betreft die een aanzienlijke geldelijke waarde vertegenwoordigt, waarop de marge, naar Gedaagden. onweersproken hebben gesteld, niet groot is. Daarbij komt dat Eiseres een zeker risico heeft genomen door een order van deze omvang en met een dergelijk groot belang voor haar bedrijfsvoering bij een relatief klein bedrijf neer te leggen, zonder daarbij – naar de rechtbank aanneemt – uitdrukkelijk te spreken over verzekeringen en dergelijke. Het feit dat dit risico zich heeft gerealiseerd, valt binnen het normale ondernemingskader en daarvan kan de bestuurders van Schuldenaar B.V. geen persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt.

Dat het in de onderhavige bedrijfstak gebruikelijk is dat een onderneming zich tegen aansprakelijkheid als hier aan de orde verzekert, is onvoldoende komen vast te staan.

Hadden bestuurders een voorziening op de balans behoren te treffen?

Thans resteert in dit verband de vraag of de bestuurders van Schuldenaar B.V. op het moment dat het rapport van Techno Fysica was opgesteld en de dagvaarding was uitgebracht een voorziening op de balans behoorden te treffen.

Die vraag dient, nog daargelaten of een dergelijke voorziening kon worden getroffen en alsdan tot (gehele of gedeeltelijke) betaling van de vordering had geleid, ontkennend te worden beantwoord, reeds omdat op dat moment nog niet waarschijnlijk was dat de vordering zou worden toegewezen. Dat Schuldenaar B.V. haar bedrijfsvoering hangende de procedure heeft voortgezet en de daarmee verband houdende credit€en heeft voldaan, kan de bestuurders van Schuldenaar B.V. bezwaarlijk worden verweten.

Betalingsonwil

Ten aanzien van de gestelde betalingsonwil overweegt de rechtbank dat Eiseres haar stellingen in dit verband onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden heeft geadstrueerd. De stelling dat Schuldenaar B.V. haar bedrijfsactiviteiten nog gewoon uitoefent en de suggestie dat Schuldenaar B.V. andere schuldeisers bewust met voorrang voldoet, zijn onvoldoende concreet en specifiek om de conclusie dat sprake is van onrechtmatige betalingsonwil dan wel selectieve (wan)betaling aan de zijde van de bestuurders van Schuldenaar B.V. te kunnen dragen.

Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen behoren te worden afgewezen. Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

Contact:

Hebt u omtrent bestuurdersaansprakelijkheid vragen of behoefte hebben aan direct advies of bijstand, kunt u altijd kosteloos contact opnemen met ons advocatenkantoor. Telefonisch contact gaat snel en u krijgt direct een van onze advocaten aan de telefoon. Bel ons op 030 252 35 20. Een eerste telefonisch advies is altijd kosteloos.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 209392 / HA ZA 09-1759

Vonnis van 13 oktober 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ABC BV,
statutair gevestigd te Rotterdam, kantoorhoudende te Heijningen,
eiseres,
advocaat mr. X,

tegen

1. Gedaagde 1,
wonende te Oosterhout,
2. Gedaagde 2,
wonende te Oosterhout,
3. Gedaagde 3,
wonende te Oosterhout,
gedaagden,
advocaat mr. Y.

1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het incidenteel vonnis van 7 juli 2010 en de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil
2.1. Eiseres vordert dat de rechtbank Gedaagden. hoofdelijk, des dat de een betaald hebbende ook de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt om aan Eiseres ten titel van schadevergoeding te betalen € 333.397,80, vermeerderd met de wettelijke rente over € 194.856,80 vanaf 1 augustus 2009 en de wettelijke rente over € 138.541,00 met ingang van 18 november 2003, tot aan de dag van algehele vergoeding, een en ander met veroordeling van Gedaagden. in de kosten van de procedure.

2.2. Gedaagden. weerspreken de vorderingen gemotiveerd.

3. De beoordeling
3.1. De volgende feiten staan in rechte vast:
a. Eiseres is een bedrijf dat zich bezig houdt met verwerking van glasscherven ten behoeve van hergebruik in de industrie.
b. Schuldenaar B.V. ontwerpt, produceert en levert (onder meer) elektrodynamische trilgoten, trilzeven en triltafels.
c. Gedaagde 1 en Gedaagde 2 zijn broers en zij zijn via hun holdingmaatschappijen (Gedaagde 1 Holding BV en Gedaagde 2 Holding BV) bestuurders van Schuldenaar B.V..
d. Gedaagde 3 is de vader van Gedaagde 1 en Gedaagde 2 en is eigenaar van het bedrijfspand waarin Schuldenaar B.V. is gevestigd.
e. Eiseres en Schuldenaar B.V. hebben in maart 2003 een overeenkomst gesloten waarbij Schuldenaar B.V. zich heeft verplicht tot het ontwerp, de productie en de levering van twee goten voor een totaalbedrag van € 131.304,60 inclusief BTW.
f. De goten zijn in juli 2003 aan Eiseres geleverd en in de fabriek van Eiseres geïnstalleerd.
g. Kort na de ingebruikname bleek dat er problemen waren met de zeefinstallaties.
h. Volgens Eiseres zijn deze gebreken – kort gezegd – een gevolg van een gebrek in de door Schuldenaar B.V. ontworpen en geleverde installaties. Schuldenaar B.V. stelt in essentie dat de gebreken aan de zeven te wijten zijn aan het door een ander bedrijf geleverde onderframe.
i. Eiseres heeft de overeenkomst ontbonden en heeft zich tot deze rechtbank gewend en terugbetaling van de reeds betaalde prijs, alsmede vergoeding van de geleden schade gevorderd.
j. Bij vonnis van 25 maart 2009 heeft de rechtbank de vordering van Eiseres toegewezen tot een bedrag van € 118.683,34, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 november 2003, en zij heeft Schuldenaar B.V. voorts veroordeeld tot het vergoeden van de door Eiseres geleden schade als gevolg van de gebreken in de zeefinstallaties, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
k. Eiseres heeft op of omstreeks 7 augustus 2009 ten laste van Gedaagden. conservatoir beslag doen leggen op diverse roerende en onroerende zaken.
l. Schuldenaar B.V. heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis en heeft op 13 oktober 2009 een memorie van grieven genomen.
m. Gedaagden. hebben in kort geding opheffing van de beslagen gevorderd. Eiseres heeft ze deels zelf opgeheven. De voorzieningenrechter heeft de ten laste van Gedaagde 3 gelegde beslagen bij vonnis van 1 september 2009 opgeheven, aangezien naar diens oordeel summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering jegens Gedaagde 3 was gebleken. Thans resteren nog de beslagen op de onroerende zaken van Gedaagde 1 en Gedaagde 2.
n. Eiseres heeft op 19 januari 2010 een memorie van antwoord genomen.

3.2. Eiseres heeft aan de vordering bestuurdersaansprakelijkheid ten grondslag gelegd. Zij heeft daartoe gesteld dat Schuldenaar B.V. aan Eiseres heeft medegedeeld dat zij financieel niet in staat is aan het vonnis te voldoen. Eiseres stelt zich op het standpunt dat Gedaagden. er als (feitelijk) bestuurders van Schuldenaar B.V. voor dienden te zorgen dat Schuldenaar B.V. ten tijde van het aangaan van de contractuele verplichtingen (en daarna) ten eerste over voldoende buffervermogen en ten tweede over een adequate verzekering beschikte, om eventuele tegenslagen met betrekking tot de overeengekomen levering van de machines te kunnen opvangen. Nu zij dit hebben nagelaten en desondanks in die wetenschap namens Schuldenaar B.V. de onderhavige verplichtingen zijn aangegaan, hebben zij een onaanvaardbaar risico genomen. Zij hebben ernstig onzorgvuldig gehandeld jegens Eiseres en zijn aansprakelijk voor de daardoor geleden schade. Daarbij komt dat zij geen voorziening voor de vordering van Eiseres in de balans van Schuldenaar B.V. hebben opgenomen. Zouden Gedaagden. willen volhouden dat Schuldenaar B.V. voldoende gekapitaliseerd was, dan moet worden vastgesteld dat er sprake is van betalingsonwil, nu Schuldenaar B.V. haar bedrijfsactiviteiten gewoon uitoefent maar Eiseres volledig onbetaald laat, aldus steeds Eiseres.

3.3. Gedaagden. weerspreken de vorderingen gemotiveerd. Op hun stellingen zal hierna, waar nodig, nader worden ingegaan.

3.4. Eiseres is, als onweersproken is gebleven, als schuldeiser geconfronteerd met het onbetaald en onverhaalbaar blijven van haar vordering op Schuldenaar B.V.. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan er grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld, dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of heeft toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld als hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Voor de onder (i) bedoelde gevallen geldt dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.

3.5. Gedaagde 1 en Gedaagde 2 waren en zijn middellijk bestuurders van Schuldenaar B.V.. Gedaagde 3 had en heeft geen formele bestuurlijke betrokkenheid. Waar ten aanzien van Gedaagde 1 en Gedaagde 2 niet in geschil is dat zij de onderneming drijven en de litigieuze overeenkomst namens Schuldenaar B.V. met Eiseres zijn aangegaan, wordt een dergelijke betrokkenheid van Gedaagde 3 bij Schuldenaar B.V. door Gedaagden. betwist.
Anders dan Gedaagden. betogen, kan degene die feitelijk als bestuurder/beleidsbepaler heeft geacteerd binnen een onderneming onder omstandigheden wel degelijk uit hoofde van onrechtmatige daad persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schade als gevolg van de wanprestatie dan wel het onrechtmatig handelen van die onderneming. Anders dan in het geval van aansprakelijkheid van statutaire bestuurders, in welke gevallen de hiervoor onder r.o. 3.4. weergegeven maatstaf geldt, dient de grond van deze aansprakelijkheid te worden gezocht in de figuur van de directe doorbraak. De enkele constatering dat er sprake is van een vennootschappelijke beleidsbepaler, zou Gedaagde 3 als zodanig al kunnen worden aangemerkt, is onvoldoende om tot aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad te kunnen leiden. Daarvoor is nodig dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die tot het oordeel dienen te leiden dat de rechtspersoon en de feitelijk leidinggever met elkaar dienen te worden vereenzelvigd, zodat het beroep op de afzonderlijke identiteit van de rechtspersoon misbruik van recht kan opleveren. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn niet gesteld en evenmin is daarvan gebleken, zodat de vordering op Gedaagde 3 zodoende reeds daarom voor afwijzing gereed ligt. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat Eiseres met onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft geadstrueerd dat Gedaagde 3 een wezenlijk aandeel in het beleid en het beheer van Schuldenaar B.V. heeft gehad, in welk oordeel een zelfstandige grond voor afwijzing van de vordering ligt.

3.6. Ten aanzien van Gedaagde 1 en Gedaagde 2 overweegt de rechtbank als volgt. Een vennootschap dient behoorlijk te worden gefinancierd, in die zin dat er geen kennelijk onredelijk verband mag bestaan tussen de financiering en de activiteiten. De tot de normale bedrijfsuitoefening behorende risico’s moeten in beginsel door de onderneming opgevangen kunnen worden. Of van een behoorlijke financiering sprake is, is vooral een vraag van bedrijfseconomische aard. Eiseres heeft haar stellingen in dit verband onderbouwd door te verwijzen naar de jaarcijfers van 2003, waaruit blijkt dat Schuldenaar B.V. in dat jaar beschikte over een negatief eigen vermogen (€ –/ 97.839,00) en over een zeer gering bedrag aan liquide middelen (€ 457,00). Gedaagden. erkennen dat de financiële positie niet overdadig was, doch voeren aan dat deze voldoende was om het bedrijf draaiende te houden, de credit€en te voldoen en de twee betrokken gezinnen van een marginaal inkomen te voorzien.

3.7. Dat ten tijde van het aangaan van de contractuele verplichtingen van een volstrekt insolvabele vennootschap sprake was, volgt onvoldoende uit de door Eiseres – summier – gestelde omstandigheden. De stelling dat de normale verplichtingen konden worden nagekomen, zoals door Gedaagden. gesteld, is niet weersproken en vindt ook bevestiging in het feit dat Schuldenaar B.V. tot op heden een actieve onderneming is. De enkele verwijzing naar de uit de jaarstukken gebleken vermogenspositie in 2003, vormt onvoldoende rechtvaardiging voor de stelling dat de vennootschap op dat moment niet in staat moest worden geacht haar activiteiten te financieren. Wel staat als onweersproken vast dat reeds op dat moment duidelijk was dat Schuldenaar B.V. over onvoldoende middelen beschikte om de vordering zoals die uiteindelijk door deze rechtbank is toegewezen, te voldoen. Kern van het geschil is de vraag of en in hoeverre Gedaagde 1 en Gedaagde 2 behoorden te voorzien dat het risico dat zij zouden wanpresteren en dat daaruit een vordering zoals hier aan de orde zou volgen zich zou realiseren, en voorts of – en op welke wijze – zij daarvoor een voorziening hadden behoren te treffen.

3.8. Dat het in de onderhavige bedrijfstak gebruikelijk is dat een onderneming zich tegen aansprakelijkheid als hier aan de orde verzekert, is onvoldoende komen vast te staan. Gedaagden. hebben onder verwijzing naar een brief van hun verzekeringsagent immers gemotiveerd gesteld dat een beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor het bedrijf van Schuldenaar B.V. vanwege de verwachte premiehoogte economisch niet verantwoord en als zodanig in de branche ook niet gebruikelijk was, zodat het Schuldenaar B.V. in het verleden is afgeraden een dergelijke verzekering te sluiten. De heer [X], agent van MEVAS (de verzekeringsmaatschappij die is verbonden aan de brancheorganisatie De Metaal Unie en die volgens Eiseres verzekeringen aanbiedt die tegen toegankelijke tarieven alle risico’s zou dekken), heeft zulks ook nog eens uitdrukkelijk bevestigd, zo stellen Gedaagden. Eiseres heeft vervolgens volstaan met de algemene stelling dat een professional liability verzekering in de ontwerptak van de metaalbranche, aan welke kant van de branche Schuldenaar B.V. volgens Eiseres zit, gebruikelijk is. Deze algemene, niet geadstrueerde stelling is in het licht van hetgeen Gedaagden. hebben gesteld, onvoldoende.

3.9. Hoewel een contractspartij in het algemeen dient in te staan voor de deugdelijkheid van de door haar geleverde prestatie en een eventuele gebrekkigheid dient te verhelpen of een gebrekkige prestatie dient te vervangen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden staande gehouden dat een onderneming voor elke transactie die zij aangaat een voorziening dient te treffen voor de kans dat uit die transactie een schadeclaim als hier aan de orde volgt. Een dergelijk risico is immers moeilijk op voorhand in te schatten en gegeven het aantal transacties dat dagelijks zonder problemen in het normale handelsverkeer plaatsvindt, moet worden aangenomen dat de kans daarop een geringe is. Schuldenaar B.V. heeft ook aangegeven in het verleden meerdere keren naar tevredenheid van Eiseres te hebben gepresteerd en Eiseres heeft niet, of althans onvoldoende, gesteld dat er omstandigheden waren die de kans op een tekortkoming en daaruit voortvloeiende schade in dit geval ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voorzienbaar maakten. Een andere opvatting zou in zijn algemeenheid bovendien leiden tot een belemmering van het handelsverkeer, aangezien veel kleine bedrijven als Schuldenaar B.V. niet in de gelegenheid zullen zijn een dergelijke voorziening te treffen met als gevolg dat zij de betreffende contracten niet kunnen sluiten. Dat geldt temeer nu het hier een transactie betreft die een aanzienlijke geldelijke waarde vertegenwoordigt, waarop de marge, naar Gedaagden. onweersproken hebben gesteld, niet groot is. Daarbij komt dat Eiseres een zeker risico heeft genomen door een order van deze omvang en met een dergelijk groot belang voor haar bedrijfsvoering bij een relatief klein bedrijf neer te leggen, zonder daarbij – naar de rechtbank aanneemt – uitdrukkelijk te spreken over verzekeringen en dergelijke. Het feit dat dit risico zich heeft gerealiseerd, valt binnen het normale ondernemingskader en daarvan kan de bestuurders van Schuldenaar B.V. geen persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt.

3.10. Thans resteert in dit verband de vraag of de bestuurders van Schuldenaar B.V. op het moment dat het rapport van Techno Fysica was opgesteld en de dagvaarding was uitgebracht een voorziening op de balans behoorden te treffen. Die vraag dient, nog daargelaten of een dergelijke voorziening kon worden getroffen en alsdan tot (gehele of gedeeltelijke) betaling van de vordering had geleid, ontkennend te worden beantwoord, reeds omdat op dat moment nog niet waarschijnlijk was dat de vordering zou worden toegewezen. De door beide partijen ingeschakelde deskundigen verschilden immers van mening over de oorzaak van de gebreken. De jurisprudentie waar Eiseres naar verwijst (Hof ’s-Gravenhage 21 oktober 2008, LJN: BG3451), betreft een niet vergelijkbaar geval. In die zaak was al een tussenvonnis gewezen waarin ten aanzien van de reconventionele vordering was geoordeeld dat het daartoe vereiste bewijs niet was geleverd, zodat de bestuurders er op dat moment ernstig rekening mee behoorden te houden dat de vordering in conventie zou worden toegewezen. Het desondanks uitkeren van managementfees aan zichzelf, oordeelde het Hof onrechtmatig. Dat Schuldenaar B.V. haar bedrijfsvoering hangende de procedure heeft voortgezet en de daarmee verband houdende credit€en heeft voldaan, kan de bestuurders van Schuldenaar B.V. bezwaarlijk worden verweten.

3.11. Ten aanzien van de gestelde betalingsonwil overweegt de rechtbank dat Eiseres haar stellingen in dit verband onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden heeft geadstrueerd. De stelling dat Schuldenaar B.V. haar bedrijfsactiviteiten nog gewoon uitoefent en de suggestie dat Schuldenaar B.V. andere schuldeisers bewust met voorrang voldoet, zijn onvoldoende concreet en specifiek om de conclusie dat sprake is van onrechtmatige betalingsonwil dan wel selectieve (wan)betaling aan de zijde van de bestuurders van Schuldenaar B.V. te kunnen dragen.

3.12. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen behoren te worden afgewezen. Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Gedaagden. worden begroot op:
– vast recht  €  1.185,00
– salaris advocaat  4.000,00 (2,0 punten × tarief € 2.000,00)
Totaal  €   5.185,00

4. De beslissing
De rechtbank

4.1. wijst de vorderingen af,

4.2. veroordeelt Eiseres in de proceskosten, aan de zijde van Gedaagden. tot op heden begroot op € 5.185,00,

4.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
(bron:www.rechtspraak.nl)

Share this story:
TEAM Advocaten

Geschreven door:

TEAM Advocaten
Zoeken:
RELIABLE & AFFORDABLE
Quick scan, second opinion, assessment of your case?
Please contact us, free of obligations
Wij maken gebruik van cookies om de gebruiks­­vriendelijkheid van onze website te verbeteren. Daarnaast kunnen we je hierdoor gerichte content bieden op onze websites, via onze andere kanalen en andere media. We onthouden je keuze zodat je niet iedere keer dat je onze website bezoekt deze vraag te zien krijgt. Naast het accepteren van de cookies, kan je de cookies ook beheren via 'Cookie instellingen'.
Accepteer cookiesPrivacy statementCookie instellingen