Join THE TEAM.

Wij hebben direct plaats voor een gevorderde stagiaire of jurist!

Zie de vacature

Arbeidsconflict met werknemer

Arbeidsconflict met werknemer. Werknemer stelt psychische klachten te hebben als gevolg van de te hoge werkdruk en de grievende bejegening van de werkgever. Werknemer vordert schadevergoeding wegens schending zorgplicht. Werknemer motiveert de hoge werkdruk echter onvoldoende en er zijn te weinig aanknopingspunten voor schending van de zorgplicht.

Wilt u meer weten over hetgeen wij als advocaat voor u kunnen betekenen bij een arbeidsconflict met een werknemer? Bel ons dan vrijblijvend op 030 252 35 20. Daarvoor brengen wij u vanzelfsprekend geen kosten in rekening.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
nevenzittingsplaats Arnhem
Sector civiel recht

zaaknummer 104.003.516

arrest van de vijfde civiele kamer van 14 april 2009

inzake

[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. X,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
B.V.,
gevestigd te Utrecht,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellante in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. Y.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 6 september 2006 en 20 december 2006 die de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) in de zaak met rolnummer 06-7093 tussen principaal appellant/incidenteel geïntimeerde (hierna ook te noemen: [appellant]) als eiser en principaal geïntimeerde/incidenteel appellante (hierna ook te noemen: WERKGEVER) als gedaagde heeft gewezen. Van laatstgenoemd vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 8 maart 2007 WERKGEVER aangezegd van het vonnis van 20 december 2006 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van WERKGEVER voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft hij bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Hij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest,
– zal verklaren voor recht dat WERKGEVER aansprakelijk is voor alle schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, die [appellant] lijdt ten gevolge van de ziekte die door [appellant] is opgelopen als gevolg van en tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden bij WERKGEVER, en
– WERKGEVER zal veroordelen in de proceskosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft WERKGEVER de grieven bestreden en heeft zij bewijs aangeboden. Bij dezelfde memorie heeft WERKGEVER incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het bestreden vonnis en heeft zij daartegen één grief aangevoerd en toegelicht. WERKGEVER heeft geconcludeerd dat het hof, zonodig onder aanvulling of verbetering van gronden, het bestreden vonnis zal bevestigen en [appellant] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans hem het hoger beroep zal ontzeggen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.

2.4 Bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep heeft [appellant] verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof WERKGEVER in haar incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans haar die vordering zal ontzeggen, met veroordeling van WERKGEVER in de proceskosten.

2.5 Ter zitting van 23 januari 2009 hebben partijen de zaak doen bepleiten.

2.6 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De grieven

3.1 [appellant] heeft in het principaal hoger beroep de volgende grieven aangevoerd.
Grief I:
Ten onrechte heeft de (het hof leest telkens:) kantonrechter niet of onvoldoende gereageerd op de door [appellant] in de procedure in eerste aanleg gestelde feiten, of hiervan een onwelwillende lezing en interpretatie gegeven.
Grief II:
Ten onrechte heeft de kantonrechter artikel 7:658 BW niet of op verkeerde wijze toegepast.
Grief III:
Ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd heeft de kantonrechter tot uitgangspunt genomen dat het risico op het ontstaan van letsel kenbaar diende te zijn aan WERKGEVER en is zij tot de conclusie gekomen dat voornoemd risico niet kenbaar was aan WERKGEVER.

3.2 WERKGEVER heeft in het incidenteel hoger beroep de volgende grief aangevoerd.

Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen en beslist dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

4. De vaststaande feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 20 december 2006 onder 2.1 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

5. De motivering van de beslissing in hoger beroep

Het principaal hoger beroep
5.1 De door [appellant] tegen het bestreden vonnis aangevoerde drie grieven richten zich tegen de in dat vonnis gegeven beslissingen inzake de op artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (verder te noemen: BW) BW gebaseerde vorderingen tegen WERKGEVER. Mede gelet op de in hoger beroep geformuleerde eis legt [appellant] daarmee de vraag inzake de aansprakelijkheid van WERKGEVER voor schade als gevolg van die geschonden zorgverplichting, in volle omvang aan het hof voor. Het aan het hof voorgelegde geschil beperkt zich echter ook tot de op artikel 7:658 BW gebaseerde aansprakelijkheid van WERKGEVER, zodat de vraag in hoeverre WERKGEVER daarbuiten op enige andere grond mogelijk nog aansprakelijk kan zijn, geen verdere bespreking en beoordeling behoeft. De drie door [appellant] aangevoerde grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.2 [appellant] verwijt WERKGEVER onrechtmatig handelen, maar baseert zijn vordering in hoger beroep op een door hem gestelde schending van de op WERKGEVER als werkgever rustende zorgverplichting. Kort samengevat stelt [appellant] daartoe dat hij tijdens of door de uitoefening van zijn administratieve werkzaamheden psychisch letsel heeft opgelopen als gevolg van een structurele overbelasting en grievende bejegening door WERKGEVER.

5.3 Het hof neemt bij de beoordeling tot uitgangspunt dat op [appellant] de stelplicht en bewijslast rust van de door WERKGEVER gemotiveerd betwiste stelling dat [appellant] psychisch letsel heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden, meer in het bijzonder dat het gestelde psychische letsel tijdens of door de uitoefening van zijn werkzaamheden is ontstaan. Indien dat het geval mocht blijken te zijn is WERKGEVER daarvoor tegenover [appellant] aansprakelijk, tenzij WERKGEVER aantoont dat zij haar zorgverplichting is nagekomen. Op WERKGEVER rust dan de stelplicht en bewijslast van de door [appellant] betwiste stelling dat die zorgplicht door WERKGEVER is nagekomen.

5.4 Ten aanzien van de stelling dat hij in de periode tot juli 2003 psychisch letsel in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft opgelopen als gevolg van een structurele overbelasting, wijst [appellant] met name op het aan WERKGEVER verweten overmatige (werkdruk veroorzakende) overwerk en de omstandigheden dat in de periode medio 2000 tot oktober 2002 zijn werkzaamheden op twee verschillende locaties moesten worden verricht alsmede dat in de periode medio 2000 tot oktober 2002 zijn werkzaamheden tussen 15.00 en 23.30 uur moesten worden uitgevoerd. Ondanks gemotiveerde betwisting door WERKGEVER motiveert en concretiseert [appellant] dat gestelde overmatige overwerk echter niet nader. Uit de stellingen van [appellant] volgt zelfs niet om welk of hoeveel overwerk het feitelijk zou (kunnen) gaan. Dat [appellant] blijkens de stukken bij een in 2001 uitgevoerd onderzoek naar zijn beeldschermwerkplek heeft aangegeven soms een hoge werkdruk te ervaren door pieken in het werkaanbod en door deadlines, is daartoe onvoldoende. Dat gedurende iets meer dan twee jaren werkzaamheden op twee verschillende locaties moesten worden verricht en dat deze tussen 15.00 en 23.30 uur moesten worden uitgevoerd, maakt ook nog niet dat sprake was van de aan WERKGEVER verweten overbelasting. Bijzondere of bijkomende feitelijke omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, zijn door [appellant] in dit verband niet gesteld. Daartoe was wel aanleiding nu WERKGEVER ter betwisting onder meer benadrukt dat [appellant] destijds nimmer heeft aangegeven het werken op twee locaties bezwarend te achten en WERKGEVER bovendien aangeeft dat de werkzaamheden niet in strijd met enig wettelijk voorschrift werden verricht, terwijl het overwerk volgens WERKGEVER voorts “binnen de marges” bleef nu, zoals WERKGEVER op de zitting onbetwist heeft aangevoerd, [appellant] in 2003 tot juli 25 overuren heeft gemaakt, hetgeen neerkomt op 8 minuten per dag. Uit de stellingen van [appellant] volgt daarom niet, althans onvoldoende duidelijk en concreet, dat in de periode tot juli 2003 sprake was van de aan WERKGEVER verweten overbelasting.

5.5 Waar [appellant] stelt in de periode tot juli 2003 psychisch letsel in de uitoefening van zijn werkzaamheden te hebben opgelopen als gevolg van de aan WERKGEVER verweten grievende bejegening, wijst [appellant] in het bijzonder op het aan WERKGEVER verweten gedrag inzake de opname van verlofdagen, het gebrek aan belangstelling voor (en erkenning van) de sinds 2000 door [appellant] ondervonden gezondheidsproblemen, de twijfel aan tijdens vakanties gedane ziekmeldingen, de plotselinge loonopschorting in december 2001, de tijdens ziekte uitgeoefende druk om toch te komen werken, de onaangekondigde bezoeken tijdens zijn ziekte en dat drie leidinggevende “zwaargewichten” meedeelden dat [appellant] zijn in vier uren verrichte werk in twee uren kon doen. Ook met betrekking tot deze door WERKGEVER betwiste omstandigheden voldoet [appellant] niet aan zijn stelplicht. Voor zover WERKGEVER ter betwisting aangeeft dat verlofdagen konden worden opgenomen indien dat vooraf tijdig was aangevraagd en de werkzaamheden dat toelieten, lag het op de weg van [appellant] om de beweerde verlofproblematiek nader feitelijk te concretiseren en onderbouwen, maar dat heeft hij nagelaten. WERKGEVER heeft bij pleidooi aangegeven er wel op te hebben aangedrongen dat (wegens tijdens verlof gedane ziekmeldingen) ontstane verlofstuwmeren door de opname van verlof moesten worden voorkomen. Het hof acht dat niet onredelijk. Dat WERKGEVER aangeeft tijdens ziekte van [appellant] te hebben geïnformeerd naar de verwachtingen omtrent werkhervatting, is onvoldoende om te concluderen tot de gestelde uitgeoefende ongeoorloofde druk tot werkhervatting. Ondanks betwisting van de tijdens ziekte uitgeoefende druk om toch te komen werken, stelt [appellant] ter feitelijke onderbouwing eigenlijk ook niet veel meer dan dat hij door WERKGEVER op 5 december 2001 onaangekondigd thuis werd bezocht, dat hij vóór juli 2003 een keer met longontsteking toch moest komen werken, dat hij tijdens ziekte wel eens thuis werd gebeld en dat WERKGEVER in zo’n telefoongesprek dan aangaf dat er niemand was om zijn werkzaamheden over te nemen. Dat is echter een onvoldoende onderbouwing van de gestelde grievende bejegening, te meer indien daarbij het navolgende in aanmerking wordt genomen. Eind 2001 en begin 2002 werd in de namens [appellant] aan WERKGEVER geschreven correspondentie niet geklaagd over het aan WERKGEVER verweten gedrag inzake de opname van verlofdagen en de tijdens ziekte uitgeoefende druk om toch te komen werken, terwijl [appellant] verder zelf aangeeft dat hij in ieder geval in 2002 na de komst van een collega zijn verlofdagen flexibeler kon opnemen. Ter betwisting van de overige gestelde omstandigheden betoogt WERKGEVER gemotiveerd dat zij met haar gedrag heeft gereageerd op door [appellant] bij zijn werkzaamheden in acht te nemen verbeterpunten en op door [appellant] gepleegde schendingen van verzuim- of andere werknemersverplichtingen dan wel dat zij met haar handelwijze slechts uitvoering heeft gegeven aan haar werkgeversverplichtingen inzake verzuim(begeleiding). Desondanks onderbouwt en concretiseert [appellant] een en ander – behoudens slechts enkele door WERKGEVER gemotiveerd weersproken voorvallen – feitelijk niet, althans onvoldoende, nader. Voor zover [appellant] zich daartoe beroept op de (als productie 1 bij memorie van grieven overgelegde) brief van 18 juli 1997 blijkens welke brief zijn “prestaties en functioneren (…) het afgelopen jaar als “goed” (werden) gewaardeerd” en op grond waarvan (de rechtsvoorganger van) WERKGEVER hem toen een bonus toekende, kan ook dat [appellant] niet baten nu die brief betrekking heeft op de periode 1996 /1997 en niet op de onderhavige periode 2001 en 2002.

5.6 Voor zover [appellant] het gestelde psychische letsel baseert op in de periode van juli 2003 tot 1 mei 2006 aan WERKGEVER verweten gedrag met betrekking tot de in juli 2003 gewijzigde functiebenaming, zijn (verlaagde her)inschaling in juli 2003 en de in september 2003 toegepaste loonopschorting, kan er niet aan worden voorbijgezien dat het door de kantonrechter (rechtbank Rotterdam, sector kanton) tussen partijen gewezen vonnis van 3 maart 2006 in kracht van gewijsde is gegaan, zodat de daarin vervatte beslissingen tussen partijen bindende kracht hebben. Voor zover hier van belang is in dat (als productie 50 bij conclusie van antwoord overgelegde) vonnis beslist dat medio 2003 “WERKGEVER (…) de functiebenaming en de inschaling van [appellant] bevoegdelijk heeft gewijzigd” en ten aanzien daarvan “niet de gevolgtrekking (kan) worden getrokken dat WERKGEVER hierbij niet correct heeft geopereerd”. In datzelfde vonnis is ook al beslist dat niet “kan worden gesproken van een foute beslissing van WERKGEVER op 15 september 2003 om de betaling van [appellant]’s loon op te schorten” en dat “[appellant] WERKGEVER niet (kan) verwijten dat zij onnodig, tot 1 oktober 2004, heeft gedraald met de uitbetaling van zijn loon”. Die aan WERKGEVER verweten gedragingen kunnen al daarom niet in strijd met enige norm van goed werkgeverschap worden geoordeeld of als grievende bejegening van [appellant] worden geduid.

5.7 Voor zover overigens al sprake zou zijn geweest van overbelasting of grievende bejegening door WERKGEVER, volgt ook uit de daartoe door [appellant] ingeroepen stukken nog niet dat het psychisch letsel daardoor werd veroorzaakt. Zo is de (als productie 13 bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegde) medische expertise d.d. 24 november 2003 van psychiater
R. Soylu uitsluitend opgesteld ter beantwoording van de vraag of [appellant] op en na medio 2003 op medische gronden arbeidsongeschikt moet worden geacht. Voor zover psychiater
R. Soylu rapporteert dat [appellant] “een 48 jarige man van Hindoestaanse afkomst (is) met depressieve stoornis en met vitale kenmerken, die chronisch van aard is, ten gevolge van oplopende en onoplosbaar arbeidsconflict”, volgt daaruit wel dat [appellant] als gevolg van een ervaren arbeidsconflict psychische klachten ondervindt, maar niet dat aan WERKGEVER terzake van dit arbeidsconflict een verwijt kan worden gemaakt. Mede omdat psychiater R. Soylu de door [appellant] ervaren klachten verder ook relateert aan “de subassertieve houding en mogelijk karakter” van [appellant] en geen enkele wijziging adviseert met betrekking tot de werk- of arbeidssituatie, doch met het oog op de toekomst slechts adviseert dat [appellant] “een assertiviteit-training nodig (heeft) om zijn handelwijze in de toekomst te verbeteren en zeker om in zulke conflict situaties te durven leren second opinion aan te vragen”, volgt uit diens rapportage juist veeleer dat de door [appellant] ervaren psychische klachten niet hun oorzaak vinden in de werkomstandigheden bij of de bejegening door WERKGEVER. Ook de (als productie 14 bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegde) medische rapportage d.d. 1 september 2004 van zenuwarts/psychiater J.A.H. Koelen is uitsluitend opgesteld ter beantwoording van de vraag of [appellant] arbeidsongeschikt moet worden geacht, maar dan voor de periode op en na 15 september 2003. Zenuwarts/psychiater J.A.H. Koelen rapporteert dat de bevindingen en conclusies van psychiater R. Soylu door hem “volledig worden onderschreven”. Net als de voornoemde rapporten van psychiater R. Soylu en zenuwarts/psychiater J.A.H. Koelen, bevatten de voorhanden huisarts- en RIAGG Parnassia-bevindingen wel aanknopingspunten voor het oordeel dat [appellant] als gevolg van een ervaren arbeidsconflict psychische klachten ondervindt, maar niet dat sprake was van de aan WERKGEVER verweten overbelasting of grievende bejegening.

5.8 Daargelaten dat bovendien nog is gebleken van bij [appellant] aanwezige long- en/of bronchitisklachten en dat [appellant] ook volgens zijn eigen stellingen aan WERKGEVER nimmer relevante mededelingen heeft gedaan omtrent zijn fysieke en mentale gesteldheid, volgt al uit het voorgaande dat de stellingen en stukken van [appellant] niet of nauwelijks aanknopingspunten bevatten waaruit volgt dat sprake is van psychisch letsel dat tijdens of door de uitoefening van zijn werkzaamheden is ontstaan. Wegens een onvoldoende feitelijke onderbouwing van diens stellingen is de thans door [appellant] gevorderde verklaring voor recht inzake de aansprakelijkheid van WERKGEVER voor schade als gevolg van de geschonden zorgverplichting, daarom niet toewijsbaar. Voor zover [appellant] betoogt dat aan zijn stelplicht geen hoge eisen mogen worden gesteld omdat hij zich beroept op werknemersbescherming en omdat hij volgens medische informatie een ingehouden persoonlijkheid heeft die niet snel klaagt, treft dat betoog geen doel. Daarmee miskent [appellant] dat hij als partij die stellingen of feiten in een gerechtelijke procedure wil inroepen, dit op zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter en de wederpartij duidelijk is wat zijn stellingname precies inhoudt.

Het incidenteel hoger beroep
5.9 De door WERKGEVER tegen het bestreden vonnis aangevoerde grief richt zich tegen de in dat vonnis gegeven beslissing tot compensatie van de proceskosten.

5.10 De eerste volzin van artikel 237 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna ook: Rv) bepaalt dat de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten wordt veroordeeld. Volgens de tweede volzin van dat artikellid mogen de kosten echter geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd tussen echtgenoten of geregistreerde partners of andere levensgezellen, bloedverwanten in de rechte lijn, broers en zusters of aanverwanten in dezelfde graad, alsmede indien partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld.

5.11 Daar [appellant] in het bestreden vonnis in het ongelijk werd gesteld, had [appellant] op grond van de eerste volzin van artikel 237 lid 1 Rv in de proceskosten moeten worden veroordeeld. Door desondanks te beslissen tot kostencompensatie vanwege “de aard van het geschil en de positie van partijen”, heeft de kantonrechter compensatie toegepast buiten de limitatieve gevallen zoals genoemd in de tweede volzin van artikel 237 lid 1 Rv.

Slotsom

5.12 De grieven van [appellant] in het principaal hoger beroep falen. De grief van WERKGEVER in het incidenteel hoger beroep slaagt. Als gevolg daarvan zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd, behoudens voor zover het de proceskostenbeslissing betreft. Als de in beide instanties en in zowel principaal als incidenteel hoger beroep in het ongelijk gestelde partij, zal [appellant] in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep en van beide instanties worden veroordeeld als hierna te vermelden.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van 20 december 2006 dat de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatier Utrecht) in de zaak met rolnummer 06-7093 tussen partijen heeft gewezen, behoudens voor zover het de proceskostenbeslissing betreft en doet in zoverre opnieuw recht:

veroordeelt [appellant] in de kosten van de eerste aanleg, aan de zijde van WERKGEVER begroot op
€ 904,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van WERKGEVER begroot op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 251,- voor griffierecht;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van WERKGEVER begroot op € 1.341,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart die proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
(bron: www.rechtspraak.nl)

Share this story:
TEAM Advocaten

Geschreven door:

TEAM Advocaten
Zoeken:
RELIABLE & AFFORDABLE
Quick scan, second opinion, assessment of your case?
Please contact us, free of obligations
Wij maken gebruik van cookies om de gebruiks­­vriendelijkheid van onze website te verbeteren. Daarnaast kunnen we je hierdoor gerichte content bieden op onze websites, via onze andere kanalen en andere media. We onthouden je keuze zodat je niet iedere keer dat je onze website bezoekt deze vraag te zien krijgt. Naast het accepteren van de cookies, kan je de cookies ook beheren via 'Cookie instellingen'.
Accepteer cookiesPrivacy statementCookie instellingen