Blue Tomato-arrest
Blue Tomato-arrest
Externe oorzaken en het ontzenuwen van het bewijsvermoeden bij bestuurdersaansprakelijkheid
In dit blog wordt het arrest Blue Tomato besproken. Centraal staat de vraag wanneer een bestuurder het bewijsvermoeden van art. 2:248 lid 2 BW kan weerleggen door te wijzen op een externe oorzaak van het faillissement.
Feiten
Blue Tomato B.V. exploiteerde een breifabriek. De bestuurder was indirect enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap. Vast stond dat de jaarrekeningen niet tijdig waren gepubliceerd. Daarmee was sprake van schending van de publicatieplicht van art. 2:394 BW. Op grond van art. 2:248 lid 2 BW geldt dan een wettelijk vermoeden dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur en dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. In 1998 werd het bedrijfspand van Blue Tomato door brandstichting verwoest. De verzekeraar weigerde echter dekking, omdat het verplichte inbraakalarm niet aanwezig was. Kort daarna ging de vennootschap failliet. De curator stelde de bestuurder aansprakelijk voor het faillissementstekort. Volgens de bestuurder was juist de brand en het uitblijven van de verzekeringsuitkering de belangrijkste oorzaak van het faillissement.
Rechtbank en Hof
Het hof oordeelde dat de bestuurder onvoldoende had aangetoond dat de brand als zelfstandige externe oorzaak moest worden gezien. Daarom bleef het wettelijke vermoeden van art. 2:248 lid 2 BW in stand en werd de bestuurder aansprakelijk gehouden.
Hoge Raad
De Hoge Raad verduidelijkt dat een bestuurder het bewijsvermoeden van art. 2:248 lid 2 BW kan ontzenuwen door aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Dat kunnen ook externe oorzaken zijn, zoals brand of het wegvallen van financiering. Wel maakt de Hoge Raad een belangrijke nuance. Wanneer de curator stelt dat de bestuurder heeft nagelaten maatregelen te nemen om die externe oorzaak te voorkomen of de gevolgen daarvan te beperken, moet de bestuurder ook uitleggen waarom dat nalaten geen kennelijk onbehoorlijk bestuur oplevert. In deze zaak speelde daarom mee dat het verplichte alarmsysteem ontbrak, waardoor de verzekeraar niet hoefde uit te keren. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak voor verdere behandeling.
Conclusie
Het Blue Tomato-arrest laat zien dat bestuurders niet automatisch aansprakelijk zijn wanneer het bewijsvermoeden van art. 2:248 lid 2 BW geldt. Een bestuurder kan dit vermoeden weerleggen door aannemelijk te maken dat een andere ook externe oorzaak het faillissement heeft veroorzaakt. Tegelijkertijd moet de bestuurder dan wel kunnen uitleggen waarom hem rondom die oorzaak geen onbehoorlijk bestuur kan worden verweten. Het Blue Tomato-arrest is daarmee een belangrijk arrest binnen de faillissementsaansprakelijkheid van bestuurders.