Samenwerkingsvormen (VOF, CV of Maatschap)

Vertegenwoordiging en aansprakelijkheid binnen samenwerkingsvormen

Vennootschappen en rechtspersonen vormen een onmisbaar onderdeel van het Nederlandse ondernemingsrecht. Binnen samenwerkingsvormen zoals de maatschap, de vennootschap onder firma (VOF) en de commanditaire vennootschap (CV) rijst regelmatig de vraag wie bevoegd is om te handelen en – minstens zo belangrijk – wie aansprakelijk is wanneer verplichtingen niet worden nagekomen. In deze blog wordt uiteengezet hoe de vertegenwoordigingsbevoegdheid en aansprakelijkheid bij deze rechtsvormen zijn geregeld.

De maatschap

Voor de maatschap zijn de bepalingen van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. Wanneer een vennoot namens de maatschap handelt, moet eerst worden vastgesteld of deze vennoot vertegenwoordigingsbevoegd is. Op grond van artikel 7A:1679 juncto 7A:1681 BW is een vennoot slechts bevoegd de maatschap te vertegenwoordigen indien hij of zij daartoe volmacht heeft, zoals bedoeld in artikel 3:60 BW. Is sprake van een toereikende volmacht, dan is de maatschap gebonden aan de verrichtte rechtshandeling.

Vervolgens komt de vraag aan de orde wie aansprakelijk is wanneer de maatschap haar verplichtingen niet nakomt. Artikel 7A:1680 BW bepaalt dat de vennoten in beginsel voor gelijke delen aansprakelijk zijn. Dit betekent dat schuldeisers ieder van de vennoten voor een gelijk aandeel in het privévermogen kunnen aanspreken.

Daarnaast heeft de Hoge Raad in het arrest Biek/Holding geoordeeld dat schuldeisers niet alleen verhaal kunnen zoeken op het privévermogen van de vennoten, maar ook op het afgescheiden vermogen van de maatschap zelf, en wel voor het volledige openstaande bedrag. Dit versterkt de positie van schuldeisers aanzienlijk.

De VOF en de CV

Voor de VOF en de CV geldt het Wetboek van Koophandel (WvK). De regeling omtrent vertegenwoordigingsbevoegdheid wijkt af van die van de maatschap. Voor een VOF en een CV geldt in beginsel art 17 WvK waarin de hoofdregel staat dat iedere vennoot vertegenwoordigingsbevoegd is indien dit niet is uitgesloten, de handeling het doel van de vennootschap dient en zij niet onbevoegd zijn.

Indien de VOF of de CV rechtsgeldig is gebonden, bepaalt artikel 18 WvK dat de vennoten hoofdelijk aansprakelijk zijn. Dit houdt in dat iedere vennoot voor het geheel kan worden aangesproken. De schuldeiser kan dus het volledige bedrag verhalen op het privévermogen van één vennoot.

Ook hier speelt het afgescheiden vermogen een rol. In het arrest Boeschoten/Besier heeft de Hoge Raad bevestigd dat schuldeisers zich bij een VOF tevens kunnen verhalen op het afgescheiden vennootschapsvermogen. Voor de CV geldt hetzelfde uitgangspunt, zoals bevestigd in HR Hovuma.

De positie van de commanditaire vennoot

De commanditaire vennoot (de stille vennoot of geldschieter) neemt binnen de CV een bijzondere positie in. Op grond van artikel 20 lid 2 WvK mag hij geen daden van beheer verrichten. Hij is dus niet vertegenwoordigingsbevoegd. Indien een commanditaire vennoot toch beheershandelingen verricht en de CV daardoor wordt gebonden, dan bepaalt artikel 21 WvK dat hij hoofdelijk aansprakelijk kan worden voor alle schulden en verbintenissen van de vennootschap. Deze sanctie is ingrijpend: de commanditaire vennoot verliest daarmee feitelijk zijn beperkte aansprakelijkheid.

Conclusie

De mate van bevoegdheid en aansprakelijkheid verschilt per rechtsvorm: bij de maatschap geldt in beginsel aansprakelijkheid voor gelijke delen, terwijl bij de VOF en de beherend vennoten van de CV hoofdelijke aansprakelijkheid het uitgangspunt is. Een heldere vastlegging van bevoegdheden is daarom essentieel.