Tegenstrijdig belang bestuurder
Tegenstrijdig belang bestuurder
In dit blog wordt het arrest Bruil/Kombex besproken. Centraal staat wanneer sprake is van een tegenstrijdig belang bij een bestuurder (destijds art. 2:256 BW) en wanneer dat leidt tot onbevoegde vertegenwoordiging van de vennootschap.
Feiten
In cassatie kon worden uitgegaan van het volgende. Een vennootschap (de eiseres) kocht in augustus 1984 van de wederpartij een perceel industrieterrein met bedrijfsgebouwen.
In de leveringsakte was een voorkeursrecht opgenomen: als de verkopende vennootschap later (andere) percelen wilde vervreemden, moest zij die eerst aan de koper aanbieden. Toen de verkoper later percelen aan een derde verkocht zonder de koper die kans te geven, vorderde de koper o.a. de contractuele boete en nakoming van het voorkeursrecht.
Rechtbank en Hof
De rechtbank oordeelde dat het voorkeursrecht (deels) was geschonden, kende (gematigd) een boete toe en wees de reconventionele vordering af. Het hof draaide dit om: het hof vond dat de verkoper zich terecht beriep op tegenstrijdig belang en dus op onbevoegde vertegenwoordiging (art. 2:256 BW oud), zodat de vennootschap volgens het hof niet gebonden was aan het beding over het voorkeursrecht. Het hof benaderde het tegenstrijdig belang “in abstracto” en achtte het niet relevant of er “achteraf bezien” in de concrete omstandigheden daadwerkelijk een belangenconflict bestond.
Hoge Raad
De Hoge Raad corrigeert die abstracte benadering en zet de (klassieke) maatstaf scherp neer: art. 2:256 BW (oud) wil voorkomen dat een bestuurder zich laat leiden door een persoonlijk belang in plaats van het vennootschappelijk belang.
Voor toepassing is niet vereist dat benadeling zeker is; voldoende is dat er zodanig onverenigbare belangen zijn dat “in redelijkheid kan worden betwijfeld” of de bestuurder zich uitsluitend door het vennootschappelijk belang liet leiden.
Of zo’n tegenstrijdig belang bestaat, kan alleen worden beoordeeld met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval.
De Hoge Raad maakt bovendien een belangrijke nuancering voor groepsverhoudingen. Wanneer één natuurlijke persoon bestuurder én (uiteindelijk) aandeelhouder is van meerdere groepsvennootschappen, zal niet snel sprake zijn van tegenstrijdig belang: juist het idee van een groep is dat belangenafweging in één hand kan liggen. Dan is slechts onder bijzondere omstandigheden sprake van een belangenconflict in de zin van art. 2:256 BW (oud).
Tot slot benadrukt de Hoge Raad de ingrijpende gevolgen van een geslaagd beroep op art. 2:256 BW (oud): daarom is het niet aanvaardbaar dat wordt volstaan met alleen “de mogelijkheid” van een tegenstrijdig belang. Degene die zich erop beroept moet dit concreet en voldoende onderbouwd stellen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling.
Conclusie
Bruil/Kombex is richtinggevend voor het leerstuk tegenstrijdig belang (onder het oude art. 2:256 BW):
- Geen abstracte toets, maar altijd casuïstisch
- De kernvraag is of er dusdanig onverenigbare belangen zijn dat redelijke twijfel ontstaat over zuivere belangenbehartiging
- In groepssituaties geldt terughoudendheid (alleen bijzondere omstandigheden.
Wie zich beroept op tegenstrijdig belang moet dat concreet onderbouwen, juist omdat de rechtsgevolgen fors kunnen zijn.