Join THE TEAM.

Wij hebben direct plaats voor een gevorderde stagiaire, jurist of Juridisch Secretaresse!

Zie de vacature

Toepasselijkheid en vernietigbaarheid algemene voorwaarden

Een arrest van het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden van 16 februari 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:2625) over een geschil over de toepasselijkheid van algemene voorwaarden en de mogelijkheid het beding waarin de aansprakelijkheid is beperkt te vernietigen nadat het contract op grond van artikel 6:159 BW is overgenomen. In dit geschil is Haluco de opdrachtgever die het contract heeft overgenomen en Alfen de opdrachtnemer die hiermee instemde. Alfa is de gebruiker van de algemene voorwaarden. Omdat de algemene voorwaarden van Alfa rechtsgeldig van toepassing waren verklaard op de rechtsvoorganger van Haluco, gelden de algemene voorwaarden ook ten aanzien van Haluco. Haluco wil de algemene voorwaarden vernietigen met een beroep op artikel 6:233 en 234 BW, omdat de rechtsvoorganger van Haluco een kleine onderneming (een VOF) was. Haluco is echter geen kleine onderneming. Het Hof komt onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis tot het oordeel dat het niet de bedoeling van de wetgever is dat het vernietigingsrecht van “de kleine onderneming” na contractsovername overgaat op een grote onderneming.

Het Hof overweegt als volgt:

“5.4.1
Grief V is gericht tegen rechtsoverweging 5.6 van het bestreden vonnis waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat artikel 6:235 lid 1 aanhef en onder a BW er aan in de weg staat dat Haluco een beroep doet op de vernietigingsgronden bedoeld in de artikelen 6:233 en 6:234 BW. Dit, aldus de rechtbank, omdat Haluco een rechtspersoon is die meer dan honderd personen in dienst heeft en een jaarrekening openbaar maakt.

(…)
5.4.3
In artikel 6:235 lid 1 BW is, voor zover hier relevant, bepaald dat op de vernietigingsgronden bedoeld in de artikelen 6:233 en 6:234 BW geen beroep kan worden gedaan door:
a.
een rechtspersoon bedoeld in artikel 360 van Boek 2, die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst laatstelijk zijn jaarrekening openbaar heeft gemaakt, of ten aanzien waarvan op dat tijdstip laatstelijk artikel 403 lid 1 van Boek 2 is toegepast;
b.
een partij op wie het onder a bepaalde niet van toepassing is, indien op voormeld tijdstip bij haar vijftig of meer personen werkzaam zijn of op dat tijdstip uit een opgave krachtens de Handelsregisterwet 2007 blijkt dat bij haar vijftig of meer personen werkzaam zijn.

5.4.4
Haluco kan dus, volgens de tekst van de wet, geen beroep doen op de vernietigbaarheid van algemene voorwaarden, enkel op grond dat haar of haar rechtsvoorganger niet een redelijke mogelijkheid is geboden om kennis te nemen van die voorwaarden. Dit sluit evenwel niet uit dat zij, in weerwil van de wettekst, toch de vernietiging op die grond kan bewerkstelligen, bijvoorbeeld indien de wetgever voor gevallen als het onderhavige, waarin de grote onderneming de (contracts)positie van een kleine onderneming overneemt, een andere bedoeling had.

5.4.5
Haluco betoogt dat de overeenkomst is gesloten met A. en dat dit niet een rechtspersoon en/of onderneming in de zin van artikel 6:235 lid 1 BW is (hierna: grote onderneming). Zij stelt dat A. zich derhalve had kunnen beroepen op de vernietigingsgronden van artikel 6:233 en 6:234 BW zonder dat artikel 6:235 BW daaraan in de weg stond. Naar het oordeel van het hof, staat in rechte (nog) niet vast dat een succesvol beroep door Haluco op artikel 6:233 en 234 BW mogelijk is. Indien er, uitsluitend omwille van een overzichtelijke bespreking van de grief, van zou worden uitgegaan dat dit wel het geval is, overweegt het hof het volgende.

5.4.6
Vast staat dat A. geen en Haluco wel een grote onderneming was ten tijde van het sluiten van de overeenkomst tussen A. en Alfen. De vraag is of door de contractsoverneming van artikel 6:159 BW het recht op vernietiging van de overdragende partij ( A. ) overgaat op de overnemende partij (Haluco) hoewel de wetgever in artikel 6:235 lid 1 BW aan laatstgenoemde dit recht op vernietiging heeft willen onthouden.

5.4.7
Het hof overweegt dienaangaande het volgende. In artikel 6:159 lid 2 BW is bepaald dat door de contractsoverneming bedoeld in lid 1 van die bepaling alle rechten en verplichtingen overgaan, voor zover niet ten aanzien van bijkomstige of reeds opeisbaar geworden rechten of verplichtingen anders is bepaald. Deze bepaling houdt in dat in beginsel alle op het moment van de contractsoverneming voor de overdragende partij uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen overgaan op de overnemende partij. Daarbij gaan naast de rechten en verplichtingen uit verbintenissen ook de wilsrechten die de contractuele rechtsverhouding omvat over. Anders dan bij een recht uit verbintenis gaat het bij een wilsrecht niet om een recht met een daar tegenover staande verplichting van de wederpartij, maar om een recht dat door de enkele wilsuiting van de rechthebbende tot het door deze beoogde rechtsgevolg leidt, zonder dat daartoe de medewerking van de wederpartij noodzakelijk is.

5.4.8
Het recht op vernietiging op grond van artikel 6:233 en 234 BW is zo’n wilsrecht. Dit wilsrecht vloeit niet rechtstreeks voort uit de overeenkomst maar wordt in de wet gegeven aan een contractspartij indien deze, ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst, voldoet aan de voorwaarde dat een bepaalde kwaliteit bij haar afwezig is, te weten het zijn van een grote onderneming.

5.4.9
Het hof heeft in de onderhavige zaak onder 5.3 geoordeeld dat tussen A. en Alfen de algemene voorwaarden van Alfen van toepassing waren. Daarmee kwam aan A. ook het veronderstelde wilsrecht tot vernietiging bedoeld in artikel 6:233 en 234 BW toe. Volgens Alfen is dit wilsrecht niet overgegaan op Haluco omdat deze een grote onderneming is. Volgens Haluco zijn door de contractsoverneming alle voor A. uit de overeenkomst voortvloeiende rechten verplichtingen overgegaan op Haluco, dus ook het genoemde wilsrecht tot vernietiging. Of het een dan wel het ander het geval is, is een zuivere rechtsvraag die het hof, zo nodig onder aanvulling van rechtsgronden, dient te beantwoorden binnen de door partijen gegeven feitelijke grondslag.

5.4.10
Tussen de twee professionele partijen in deze zaak staat voorop dat zij, binnen de door het gemene verbintenissenrecht gegeven kaders, vrij zijn hun contractuele relatie in te richten zoals zij dat wensen. Daarbij is het aangaan in algemene voorwaarden van aansprakelijkheid beperkende bedingen niet ongebruikelijk. Partijen zijn vervolgens in beginsel gebonden aan hetgeen zij zijn overeengekomen. Op dit uitgangspunt maakt de regeling van artikel 6:233 e.v. BW inbreuk, door vernietiging mogelijk te maken van (delen van) de overeenkomst onder meer op grond dat deze, gelet op de in artikel 6:233 lid 1 BW opgesomde omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is (zijn) voor de wederpartij. Dit maakt inbreuk op het beginsel van ons contractenrecht, dat overeenkomsten de partijen daarbij binden.

5.4.11
In het onderhavige geval is van belang dat het een keus van de wetgever is geweest om in artikel 6:235 BW aan grote ondernemingen de hier bedoelde, bijzondere mogelijkheid tot vernietiging te onthouden. De betreffende bepaling is bij de parlementaire behandeling in de vorm van een amendement toegevoegd, waarbij werd overwogen:
“Dit amendement strekt ertoe om de toepasselijkheid van de artikelen 2a en 2b uit te sluiten voor zover algemene voorwaarden jegens — kort gezegd — ‘grote ondernemers’ worden gebruikt (daaronder begrepen ‘grote” rechtspersonen die geen onderneming hebben). Zulks omdat deze ‘grote’ wederpartijen niet de speciale bescherming tegen algemene voorwaarden behoeven die dit wetsontwerp biedt, zodat toepasselijkheid van de voormelde artikelen in die gevallen een ongewenste inbreuk op de contractsvrijheid zou inhouden.”
(PG, Toelichting op amendement, Inv. Boek 6, p. 1631).

5.4.12
Indien een partij aan wie de wetgever met artikel 6:235 BW de hier bedoelde bijzondere bescherming heeft willen onthouden, dat wilsrecht wel zou kunnen verkrijgen door contractsoverneming van een partij die niet onder de werking van artikel 6:235 BW valt, terwijl de overnemende partij (ten tijde van de contractsoverneming) wel een grote onderneming is in de zin van artikel 6:235 lid 1 BW, dan zou de door de wetgever gekozen beperking van de bescherming tegen de onderhavige bedingen tussen de contractspartijen niet worden verwezenlijkt, in het voordeel van de wederpartij. Het onaanvaardbare gevolg hiervan zou zijn dat partijen deze door de wetgever gekozen uitsluiting voor grote ondernemingen door een relatief eenvoudige rechtshandeling ter zijde zouden kunnen schuiven. Gelet hierop en op de inbreuk die met het bieden van de bijzondere bescherming wordt gemaakt op het belangrijke beginsel van het contractenrecht, dat het gegeven woord bindt, komt aan Haluco, als ‘grote ondernemer’, geen beroep op de vernietigingsregeling toe.

5.4.13
Daarmee kan niet gezegd worden dat niet overeenkomstig artikel 6:159 lid 2 BW alle contractuele rechten en verplichtingen zijn overgegaan, nu het hier bedoelde wilsrecht niet een overeengekomen recht is maar een op grond van de wet aan een contractspartij toevallend recht dat kleeft aan de specifieke kwaliteiten van die partij. Indien die kwaliteiten bij de overnemende partij ontbreken, vervalt de rechtvaardiging voor de aan de overdragende partij toekomende bescherming. Grief V faalt. “

Deel dit verhaal:
TEAM Advocaten

Geschreven door:

TEAM Advocaten
Zoeken:
BETROUWBAAR & BETAALBAAR
Snelle scan, second opinion, beoordeling van uw zaak?
Neem vrijblijvend contact met ons op