Join THE TEAM.

We immediately have space for an advanced trainee, lawyer or legal secretary!

View vacancies

Omgang tussen kind en partner van overleden moeder.

In onderhavige kwestie zijn de vader en de (biologische) moeder gescheiden. Uit hun huwelijk is in 2008 een kind geboren.
Vader en moeder zijn in het kader van de verdeling van de zorgtaken een zorgregeling overeengekomen die er (praktisch) op neer komt dat ieder van de ouders bij helfte voor het kind zorgen.
Moeder gaat vervolgens een geregistreerd partnerschap aan met haar nieuwe partner. Moeder komt vervolgens te overlijden.
De rechtbank heeft –na het overlijden van moeder- een gedetailleerde zorg- en omgangsregeling vastgesteld, waarbij het kind de ene week bij vader en de andere week bij de partner van de moeder zal verblijven.
Vader kan zich niet verenigen met de beschikking van de rechtbank en heeft hoger beroep ingesteld. De vader wenste namelijk dat het kind na het overlijden van de moeder bij hem zou komen wonen en dat het contact tussen de nieuwe partner van moeder en het kind uiteindelijk zou worden beëindigd.
Kort gezegd, wijst het Gerechtshof  het verzoek van vader af. Althans in die zin, dat het contact tussen het kind en de partner van moeder behouden moet blijven. Wel heeft het Gerechtshof de zorgregeling tussen het kind en de partner van moeder aangepast.

De motivering van het gerechtshof om de omgang/contact tussen het kind en de nieuwe partner van moeder te behouden is de volgende. Vader en moeder zijn vlak na de geboorte van het kind uiteen gegaan. Vervolgens is moeder kort op het uiteengaan, gaan samenwonen met haar nieuwe partner. Het kind is dus al vanaf zeer jonge leeftijd mede verzorgd en opgevoed door de nieuwe partner van moeder. Het kind vormde met laatstgenoemde (in ieder geval tot het overlijden van moeder) een (co-ouder)gezin. Er is zodoende een ‘gehechtheidsrelatie’ tussen kind en de nieuwe partner van moeder ontstaan, welke –in het belang van het kind- niet doorbroken moet worden. De Wet biedt dan vervolgens de mogelijkheid om een zorgregeling vast te stellen tussen het kind en degene die in nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staan. Het Gerechtshof gaat dus over tot het vaststellen van een omgangs- en/of  zorgregeling. Echter, mede gelet op het feit dat de communicatie tussen vader en de nieuwe partner niet goed te noemen valt, is er geen ruimte voor een co-ouderschapsregeling. Voor een co-ouderschapsregeling is een goede communicatie tussen de opvoeders vereist. Er dus een aangepaste regeling getroffen.

Mocht u omtrent het hiervoor gemelde vragen hebben dan wel behoefte hebben aan direct advies, kunt u altijd kosteloos contact opnemen met ons advocatenkantoor. Dit gaat snel en u krijgt direct een advocaat aan de telefoon. Wij zijn specialist op dit terrein. Bel ons nu op 030 252 35 20.

GERECHTSHOF
Sector civiel recht

inzake

[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen “de vader”,
advocaat:

en

[verweerster],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep, verder te noemen “[verweerster]”,
advocaat:

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht,
gevestigd te Nieuwegein,
verder te noemen “de stichting”,

en

[belanghebbende],
wonende te [woonplaats],
verder te noemen “[belanghebbende]”.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Utrecht van 9 november 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het hof heeft op 7 juni 2012 een beschikking gegeven. Ingevolge die beschikking is het verzoek van [verweerster] tot benoeming van een bijzonder curator voor de hierna nader te noemen [het kind] afgewezen.

2.2 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 8 februari 2012, is de vader in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Utrecht van 9 november 2011. De vader verzoekt het hof die beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen voor zover het betreft de onderdelen welke te dezen door de grieven van de vader zijn bestreden en, opnieuw beschikkende (zo nodig onder aanvulling of verbetering van de gronden), het verzoek van de bijzonder curator om een omgangsregeling vast te stellen gelijk aan een co-ouderschapsregeling, alsnog af te wijzen.

2.3 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 16 maart 2012, heeft [verweerster] het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden. Het hof begrijpt [verweerster] aldus dat zij het hof verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.4 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:
– op 23 maart 2012 een brief van de stichting van 22 maart 2012 met bijlagen;
– op 21 mei 2012 een brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 16 mei 2012 met bijlagen;
– op 5 juni 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;
– op 7 juni 2012 een brief van 6 juni 2012 met bijlagen.

2.5 De mondelinge behandeling heeft op 12 juni 2012 plaatsgevonden. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. [verweerster] is in persoon verschenen bijgestaan door haar advocaat. Namens de stichting is […] (leidinggevende) verschenen. Voorts is [belanghebbende] verschenen. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) zijn verschenen […] en […].

3. De vaststaande feiten

3.1 Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van de vader en [de moeder] (hierna te noemen “de moeder”) is op [geboortedatum] 2008 [het kind] geboren. Bij vaststellingsovereenkomst van 18 februari 2009 zijn de vader en de moeder een zorgregeling overeengekomen die er, kort gezegd, op neerkomt dat de ouders ieder bij helfte voor [het kind] zorgen.

3.2 De moeder is op 30 augustus 2010 een geregistreerd partnerschap aangegaan met [verweerster].

3.3 Bij beschikking van 30 maart 2011 heeft de kinderrechter, uitvoerbaar bij voorraad, met ingang van de datum van de beschikking tot 1 januari 2012 benoemd als bijzonder curator over [het kind]. Het hof heeft bij beschikking van 15 november 2011 deze beslissing grotendeels in stand gelaten.

3.4 De moeder is op 2 mei 2011 overleden.

3.5 Bij beschikking van 11 juli 2011 heeft de kinderrechter [het kind] op verzoek van de raad onder toezicht gesteld van de stichting voor de duur van een jaar. Het hof heeft deze beslissing bekrachtigd bij beschikking van 12 januari 2012.

3.6 Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 9 november 2011 heeft de kinderrechter in de rechtbank een (gedetailleerde) zorg- en omgangsregeling vastgelegd, die er kort gezegd op neerkomt dat [het kind] in de even weken bij de vader en [belanghebbende] verblijft en in de oneven weken bij [verweerster].

3.7 Het gezag over [het kind] berust bij de vader.

4. De motivering van de beslissing

4.1 De vader is met vier grieven tegen de laatstgenoemde beschikking in hoger beroep gekomen. Deze grieven beogen een volledige herbeoordeling van het geschil.

4.2 Het gaat in dit geding om het volgende. De moeder is kort na de geboorte van [het kind] bij de vader weggegaan en is daarna gaan samenwonen met [verweerster]. [het kind] is aldus vanaf zeer jonge leeftijd mede verzorgd en opgevoed door [verweerster], die tot het overlijden van de moeder met hen een (co-ouder)gezin vormde. In verband met de omstandigheid dat de moeder van [het kind] ziek was en haar overlijden binnen afzienbare tijd te verwachten was, is tussen de vader en de moeder een conflict ontstaan over de zorgverdeling voor [het kind] na het overlijden van de moeder. De moeder wilde dat na haar overlijden de rol van haar partner [verweerster], met wie zij in augustus 2008 is gaan samenwonen en die zij beschouwde als meemoeder, gehandhaafd zou blijven evenals de tussen de ouders overeengekomen zorgregeling, met dien verstande dat [verweerster] in haar plaats zou treden. De vader was het daarmee niet eens. Hij wenste dat [het kind] na het overlijden bij hem en zijn nieuwe partner [belanghebbende] zou komen wonen en dat het contact tussen [verweerster] en [het kind], al dan niet met een gefaseerde afbouw, zou worden beëindigd.
Tussen partijen zijn hierover verschillende procedures gevoerd; het hof verwijst kortheidshalve naar de hiervoor onder 3 vermelde vaststaande feiten. Gezien de chronische conflicten tussen de vader en [verweerster] over de verzorgings- en omgangsregeling betreffende [het kind] zijn zij, door tussenkomst van BJZ Utrecht, in juni 2011 aangemeld bij Trajectum (Intensieve Ambulante Gezins- en Kindbehandeling). De begeleiding/hulpverlening is gestart op 31 augustus 2011. Uit de eerste tussenevaluatie van 2 februari 2012 volgt dat de vader vindt dat [het kind], na het overlijden van de moeder, gebaat is bij een opvoedplek met de daarbij behorende duidelijkheid die [het kind] nodig heeft. Hij vindt een middag in de twee weken contact voldoende en gepast. [verweerster] ziet geen reden voor een ingrijpende verandering in de regeling zoals die er lag, al kan zij zich een andere verhouding in de 50/50 regeling wel voorstellen. Als hulpverleningsdoel is gekozen: te komen tot een werkzaam verband tussen de ouders/opvoeders voor nu en in de toekomst, met goed overleg tussen hen over wat belangrijk is voor [het kind] en te voorkomen dat er loyaliteitsproblemen bij [het kind] ontstaan. De (grote) vraag die beantwoordt/onderzocht moet worden is of en hoe de communicatie tussen de opvoeders tot stand kan komen. Het eindverslag van 20 maart 2012 vermeldt dat in het kader van een gezamenlijke (slot)bijeenkomst is geconstateerd dat door de onverenigbare standpunten van vader en [verweerster] er onvoldoende basis is om via bemiddeling tot een (goed) resultaat te komen met betrekking tot de omgang en communicatie ten behoeve van [het kind]. De vader heeft een nieuwe indeling van de zorgregeling opgesteld vanaf het moment dat [het kind] naar de basisschool zou gaan en daarover geen overleg gevoerd met de betrokken partijen ([verweerster] en gezinsvoogd). In week 15 van 2012 heeft de gezinsvoogd verschillende e-mailberichten van de opvoeders van [het kind] ontvangen (deze zitten ook bij de stukken), waaruit blijkt dat er rond de overdrachtsmomenten veel spanningen waren; beide partijen/opvoeders hebben daarbij tevens aangegeven grote zorgen te hebben over [het kind]. De stichting heeft bij brief van 23 april 2012 de vader een schriftelijke aanwijzing gegeven, die er kort gezegd op neerkomt dat hij zich strikt dient te houden aan de door de rechtbank (beschikking van 9 november 2011) vastgestelde zorgregeling.

4.3 Zowel de stichting als de raad hebben schriftelijk hun visie gegeven over de vraag hoe de zorg- en omgangsregeling betreffende [het kind] het beste gestalte kan worden gegeven. De raad heeft in het raadsrapport van 21 juni 2011 aangegeven dat er structureel contact dient te zijn en te blijven tussen [het kind] en [verweerster] en ook met de grootouders (mz), grootmoeder (vz) en tante (mz). Hoe dit contact eruit moet komen te zien, moet nader worden bepaald. Voorlopig, een half jaar, dient de omgang niet te worden veranderd. Daarna zal er een regeling moeten worden getroffen waarbij uitgegaan wordt van wat [het kind] nodig heeft, mede in verband met de toekomstige schoolgang van [het kind]. In de “pleitnotitie” van 12 mei 2012 heeft de raad aangegeven dat [het kind] een gehechtheidsrelatie heeft met vader (en diens partner [belanghebbende]) en met [verweerster]. De huidige situatie is een voortzetting van de co-ouderschapregeling tussen de vader en de moeder, met dien verstande dat [verweerster] de plaats van de moeder heeft ingenomen. Wanneer, zoals in deze zaak, sprake is van een langdurige en ernstige strijd tussen de ouders/opvoeders, waarbij geen uitzicht bestaat op verbetering van de situatie, is co-ouderschap niet in het belang van het kind. Voor co-ouderschap is nodig dat er sprake is van een goede verstandhouding, een goede communicatie en geografische nabijheid. Als hiervan geen sprake meer is, loopt het kind emotionele schade op door de intensiteit van de strijd. Naar de mening van de raad dient het opvoedingsperspectief bij de vader te liggen en hij zal ervoor moeten zorgen dat [het kind] contact blijft houden met haar familie van moederszijde. De raad acht een omgang van eenmaal per week op vrijdagmiddag tussen [het kind] en [verweerster] in haar belang.
De stichting, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, heeft in een brief van 22 maart 2012 aangegeven dat het vaste voornemen van vader om het contact tussen [het kind] en [verweerster] tot een minimum te beperken, een reële en ernstige bedreiging vormt voor de geestelijke belangen van [het kind]. Er is sprake van een hechtingsrelatie tussen [het kind] en [verweerster], waardoor [verweerster] een belangrijke rol speelt in het leven van [het kind]. De huidige (door de rechtbank opgelegde) omgangsregeling wordt in het algemeen wel nagekomen, maar met betrekking tot de communicatie en het draagvlak voor de omgangsregeling is er geen groei of verandering te zien. Er is sprake van een slechte verstandhouding en slechte communicatie met veel spanningen. [verweerster] geeft aan dat er ruimte is voor verschuiving in de zorgverdeling, maar niet in de vorm die vader voorstelt (een middag in de 14 dagen). Beide partijen geven aan zorgen te hebben over de uitspraken en gedragingen van [het kind]. Binnen het kader van de ondertoezichtstelling moet de gezinsvoogd regelmatig druk en dwang uitoefenen door passende maatregelen te nemen indien die in het belang van [het kind] zijn (aanwijzingen en brieven zijn verstuurd aan vader). De stichting ziet door de huidige positionering van met name de vader dat er, zowel op de korte als lange termijn, geen verandering komt in de huidige (gespannen) situatie waar [het kind] onder lijdt. De stichting onthoudt zich van een advies over de invulling en frequentie van een zorg/omgangsregeling.

4.4 Ter mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de raad gepersisteerd bij het advies van een middag per week contact tussen [het kind] en [verweerster]. Gezien de strijd tussen de vader en [verweerster] is thans een overnachting niet gewenst; die strijd baart de raad zorgen. De gezinsvoogd heeft namens de stichting ter mondelinge behandeling aangegeven dat de vader en [belanghebbende] [het kind] prima kunnen opvoeden, maar dat de vader moet erkennen dat [verweerster] ook gehechtheidsfiguur voor [het kind] is. De stichting heeft zich ook ter mondelinge behandeling verder onthouden van een advies over de omgangsregeling.

4.5 Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 1:377a BW het kind recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

4.6 Nu [het kind] vanaf zeer jonge leeftijd met de moeder en [verweerster] heeft samengewoond als een gezin, is er sprake van family life in de zin van art. 8 EVRM. [verweerster] is voor [het kind] een belangrijk hechtingsfiguur en “sociaal ouder” en stiefouder van [het kind] en in die zin ook op te vatten als degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot [het kind].
Zowel de vader als [verweerster] erkennen dat [het kind] klem of verloren raakt door de strijd die tussen hen gaande is. De raad en de stichting onderschrijven dat. De huidige door de rechtbank opgelegde co-ouderschapsregeling is daarom niet langer in het belang van [het kind].
Ter mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat het voor [het kind] belangrijk is dat zij regelmatig contact heeft met [verweerster]. Het hof dient thans te beoordelen welke omgangsregeling met [verweerster] het meest in het belang van [het kind] is.

4.7 Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek te gelasten.

4.8 Het gezag over [het kind] berust bij de vader, die daarmee ook de juridische verantwoordelijkheid draagt voor de zorg en opvoeding van [het kind], zoals beslissingen ten aanzien van medische zorg en schoolkeuze. Dientengevolge is de woon- of hoofdverblijfplaats van [het kind] bij de vader (art. 1:12 lid 1 BW). De plek waar [het kind] opgroeit en haar opvoedingsperspectief is en ligt bij de vader. [het kind] heeft daarnaast recht op en, gezien de gehechtheidsrelatie met [verweerster], belang bij regelmatig contact met [verweerster]. De vader lijkt dit belang en recht van [het kind] niet ten volle te onderkennen, nu hij vooralsnog slechts bereid is tot een, gelet op de thans bestaande relatie tussen [verweerster] en [het kind], zeer beperkte omgangsregeling van één middag per 14 dagen, desnoods één middag per week.
Het hof heeft op basis van de stukken en de mondelinge behandeling de indruk gekregen dat vooral van vaderszijde weerstand bestaat tegen een (substantiële) omgangs/zorgregeling, zoals verwoord in zijn stuk van 21 mei 2012 en in het appelschrift sub 22 (als volgt:) “waarbij de vader de helft van de tijd zijn kind moet afstaan aan iemand waarvoor hij niet gekozen heeft, die juridisch geen status heeft, waar hij geen enkel vertrouwen in heeft, die hij niet of nauwelijks kent en waar hij tot nu toe uitsluitend negatieve ervaringen mee heeft opgedaan”. Het standpunt / de visie van de vader is vanuit zijn gezichtspunt wellicht begrijpelijk, maar naar het oordeel van het hof niet in het belang van [het kind], nu zowel de stichting als de raad aangeven dat [verweerster] voor [het kind] een belangrijke hechtingsfiguur is en, zoals [verweerster] ook terecht naar voren heeft gebracht ter mondelinge behandeling, de dichtstbijzijnde persoon voor [het kind] is die nog een directe lijn heeft met haar overleden moeder (zo staan er nog foto’s van de moeder van [het kind] in de woning van [verweerster]). Feit is dat de ouders van [het kind] al kort na de geboorte uit elkaar zijn gegaan en dat [het kind] al op zeer jonge leeftijd mede is opgegroeid in het gezin dat moeder met [verweerster] en [het kind] vormde. Deze feiten en omstandigheden maken de onderhavige zaak dan ook zo triest voor in de eerste plaats [het kind] die, zoals door alle betrokkenen in deze zaak ook wel onderkend wordt, lijdt onder de spanningen tussen de vader en [verweerster], terwijl zij nog maar recent haar moeder heeft verloren.
Het hof ziet ook in dat door de uitermate slechte verstandhouding tussen vader en [verweerster] een voortzetting van de co-ouderschapregeling, die door de moeder van [het kind] gewenst was, niet haalbaar is vanwege de weerslag van alle spanningen tussen partijen op het welbevinden van [het kind]. De raad en de stichting (bij monde van de gezinsvoogd) hebben uiteenlopende adviezen gegeven over de frequentie en vorm van de omgangsregeling. Het advies of standpunt van de raad dat een overnachting van [het kind] bij [verweerster] niet in haar belang is, heeft het hof niet kunnen overtuigen. [het kind] is immers gewend om om de week in het huis van [verweerster] te verblijven en te slapen (waar zij ook haar eigen slaapkamertje heeft) en [het kind] is al die jaren om de week door [verweerster], als partner van de moeder, mede verzorgd en opgevoed. [het kind] voelt zich net zo thuis bij [verweerster] als bij de vader, zo blijkt uit de verschillende rapporten. Het hof oordeelt het daarom in het belang van [het kind] dat zij nog enig (substantieel) contact houdt met de partner van haar overleden moeder.

4.9 Het hof zal met inachtneming van het voorgaande na te melden omgangsregeling tussen [verweerster] en [het kind] vaststellen: de ene week van vrijdagmiddag na school (en als er geen school is: 12.00 uur) tot zondagmiddag 17.00 uur, de andere week van vrijdagmiddag na school (en als er geen school is: 12.00 uur) tot 19.00 uur ’s avonds, waarbij [verweerster] [het kind] ophaalt uit school of bij de vader en [belanghebbende] en de vader dan wel [belanghebbende] [het kind] weer ophaalt bij [verweerster]. Vooralsnog zal het hof geen regeling treffen voor de vakanties, feestdagen en verjaardagen, nu eerst aan deze omgangsregeling gestalte zal moeten worden gegeven. In het kader van de ondertoezichtstelling kan aan dit punt wellicht aandacht besteed worden.

4.10 Ten overvloede overweegt het hof dat van de vader kan en mag worden verwacht dat hij invulling geeft aan zijn verantwoordelijkheid als ouder van [het kind], die gebaat is met regelmatig en enig substantieel contact met [verweerster], door op constructieve wijze uitvoering te geven aan de door het hof vastgestelde omgangsregeling en [het kind] de ruimte te geven en te gunnen voor deze omgang.

5. De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking voor zover aan zijn oordeel onderworpen te vernietigen en te beslissen als volgt.

5.2 Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 9 november 2011, voor zover aan zijn oordeel onderworpen en in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt vast als omgangsregeling tussen [het kind] en [verweerster] dat [het kind] de ene week van vrijdagmiddag na school (en als er geen school is: 12.00 uur) tot zondagmiddag 17.00 uur bij [verweerster] verblijft en de andere week van vrijdagmiddag na school (en als er geen school is: 12.00 uur) tot 19.00 uur ’s avonds, waarbij [verweerster] [het kind] ophaalt uit school of bij de vader en [belanghebbende] en de vader dan wel [belanghebbende] [het kind] weer ophaalt bij [verweerster];
verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

[ bron: rechtspraak.nl]

Share this story:
TEAM Advocaten

Geschreven door:

TEAM Advocaten
Zoeken:
RELIABLE & AFFORDABLE
Quick scan, second opinion, assessment of your case?
Please contact us, free of obligations
Wij maken gebruik van cookies om de gebruiks­­vriendelijkheid van onze website te verbeteren. Daarnaast kunnen we je hierdoor gerichte content bieden op onze websites, via onze andere kanalen en andere media. We onthouden je keuze zodat je niet iedere keer dat je onze website bezoekt deze vraag te zien krijgt. Naast het accepteren van de cookies, kan je de cookies ook beheren via 'Cookie instellingen'.
Accepteer cookiesPrivacy statementCookie instellingen